Aan het einde van deel 1 stond Śmigły-Rydz op het hoogtepunt van zijn macht. Hij was Maarschalk van Polen, de “tweede man in de staat”, en het onderwerp van een meedogenloze propagandacampagne die hem presenteerde als de natuurlijke erfgenaam van Piłsudski. Zijn portret hing naast dat van de oude leider in alle overheidsgebouwen. Soldaten zongen marsen over zijn glorie in de strijd. De natie scheen zich te verenigen achter zijn uniform.

Maar de glans was bedrieglijk. Achter de façade van kracht en eenheid schuilde een man die geen idee had hoe hij Polen moest besturen in een steeds gevaarlijkere wereld. Śmigły-Rydz was een uitstekende brigadecommandant geweest en een goede legergeneraal, maar hij was geen diplomaat en geen strateeg. De jaren 1937 tot 1939 zouden dat genadeloos blootleggen.

Dit is het verhaal van zijn val – van de politieke blindheid die Polen isoleerde, van de militaire catastrofe in september 1939, en van de vrouw (zijn concubine) die met een koningszwaard naar Monaco vluchtte.

Rampzalige politiek in de aanloop naar de oorlog

Śmigły-Rydz erfde van Piłsudski een buitenlands beleid dat in theorie eenvoudig was: Polen moest onafhankelijk blijven tussen twee vijanden, Duitsland en de Sovjet-Unie, en mocht niet afhankelijk worden van de westerse mogendheden die Polen in het verleden hadden teleurgesteld. In de praktijk was dat beleid echter onmogelijk vol te houden zonder een diplomaat van formaat. Śmigły-Rydz was dat niet.

De kwestie Zaolzie: een gemiste kans

De eerste grote test kwam in 1938. In oktober van dat jaar annexeerde Hitler het Sudetenland van Tsjecho-Slowakije, met de instemming van Frankrijk en Groot-Brittannië in het beruchte Akkoord van München. Tsjecho-Slowakije lag open en weerloos. Śmigły-Rydz zag een kans om een oud Pools-Tsjechisch conflict op te lossen.

Het ging om de regio Zaolzie, een strook land in het oosten van Tsjechisch-Silezië. De meerderheid van de bevolking was Pools. Na de Eerste Wereldoorlog, terwijl Polen in het oosten vocht tegen de Sovjets, was het Tsjechoslowaakse leger het gebied binnengevallen en had het geannexeerd. De Poolse bevolking was sindsdien zwaar onderdrukt: scholen werden gesloten, Poolse ambtenaren werden ontslagen, en de Poolse identiteit werd systematisch teruggedrongen. Voor veel Polen was Zaolzie geen twistpunt, maar een bezet gebied dat teruggegeven moest worden.

Śmigły-Rydz eiste dat Tsjecho-Slowakije Zaolzie onmiddellijk aan Polen zou afstaan. De Tsjechoslowaakse regering, die inmiddels volledig onder Duitse druk stond, gaf toe. Het Poolse leger marcheerde het gebied binnen. Voor Śmigły-Rydz was dit geen roof, maar herstel van een historisch onrecht. De meerderheid van de bevolking was Pools en verwelkomde de Poolse troepen.

Maar de timing was rampzalig. Śmigły-Rydz eiste Zaolzie op hetzelfde moment dat Hitler Tsjecho-Slowakije uit elkaar aan het scheuren was. Buiten Polen, en vooral in Frankrijk en Groot-Brittannië, werd de actie gezien als een opportunistische aansluiting bij de nazi-agressie. De westerse pers vergeleek Polen met Duitsland. Dat beeld was onterecht – Polen annexeerde geen vreemd land, maar heroverde een gebied met een overwegend Poolse bevolking dat in 1919 met geweld was afgenomen – maar het was niettemin desastreus voor de reputatie van Polen.

Śmigły-Rydz’ echte fout was niet dat hij Zaolzie opeiste maar dat hij niet onderhandelde. Hij had van tevoren zijn westerse bondgenoten moeten informeren en hun steun moeten vragen. Hij had een diplomatieke campagne moeten voeren waarin hij uitlegde waarom Zaolzie Pools was. Hij had, met andere woorden, een politieke oplossing moeten zoeken in plaats van een militaire. Maar Śmigły-Rydz was geen diplomaat. Hij was een soldaat, en soldaten lossen problemen op met marsorders. Het gevolg was dat Polen internationaal gezien werd als een medeplichtige aan de vernietiging van Tsjecho-Slowakije. Het vertrouwen in Warschau was geschaad.

De weigering over Gdańsk: gelijk hebben, maar verliezen

De tweede grote test kwam in 1939. Hitler eiste dat de vrije stad Danzig – het huidige Gdańsk – zou worden geannexeerd door Duitsland. Ook eiste hij een exterritoriale weg en spoorlijn door de Poolse Corridor, de strook land die Polen toegang gaf tot de Oostzee en die Oost-Pruisen van de rest van Duitsland scheidde.

Śmigły-Rydz weigerde. En hier had hij volkomen gelijk. Gdańsk was een Poolse stad, geen Duitse. De stad was al eeuwenlang verbonden met de Poolse geschiedenis, en de meerderheid van de bevolking was vóór de oorlog Pools of had een gemengde identiteit. De Corridor was Pools grondgebied, toegewezen aan Polen door het Verdrag van Versailles na de Eerste Wereldoorlog. Polen gaf geen eigen land weg. Vanuit een moreel en historisch perspectief was de weigering van Śmigły-Rydz volkomen terecht.

De fatale fout zat niet in de weigering zelf, maar in de inschatting van de militaire situatie. Śmigły-Rydz geloofde dat Frankrijk en Groot-Brittannië Polen te hulp zouden komen als Duitsland zou aanvallen. Beide landen hadden in maart 1939, na de Duitse bezetting van de rest van Tsjecho-Slowakije, een garantie afgegeven: bij een Duitse aanval op Polen zouden zij de oorlog verklaren aan Duitsland. Śmigły-Rydz vertrouwde op deze belofte.

Hij was naïef. Hij vergat wat er in München was gebeurd, toen dezelfde westerse mogendheden Tsjecho-Slowakije aan Hitler hadden uitgeleverd. Hij negeerde het feit dat de westerse legers niet voorbereid waren op een oorlog, dat de afstand naar Polen groot was, en dat de Sovjet-Unie – die de westerse mogendheden niet konden vertrouwen – een eigen agressieve agenda had. De garantie was een mooie diplomatieke verklaring, maar geen militair plan.

Śmigły-Rydz overschatte ook de kracht van het eigen Poolse leger. Hij sprak wel eens over Polen als de “tweede militaire macht van Europa” – na Frankrijk, maar vóór Duitsland en de Sovjet-Unie. Die uitspraak was niet alleen arrogant, maar ook gevaarlijk misleidend. In werkelijkheid was het Duitse leger in 1939 vele malen sterker dan het Poolse. Duitsland had meer tanks, meer vliegtuigen, een beter wegennet, een modernere commandostructuur, en – wat misschien wel het belangrijkste was – een doctrine van snelle, gecombineerde oorlogsvoering, de Blitzkrieg, waar het Poolse leger nog vasthield aan verouderde concepten uit de Eerste Wereldoorlog.

Rydz als opperbevelhebber tijdens de Duitse invasie

Op 1 september 1939 viel Duitsland Polen binnen. Śmigły-Rydz was opperbevelhebber. Zijn prestatie tijdens de septembercampagne wordt door historici unaniem als onvoldoende tot rampzalig beoordeeld.

Hij maakte vijf dodelijke fouten.

De eerste fout was de verkeerde opstelling van het leger. Śmigły-Rydz plaatste het grootste deel van het Poolse leger in een aanvalsformatie dicht bij de Duitse grens, in plaats van in verdedigingsposities achter natuurlijke barrières zoals de rivieren de Wisła en de San. Het idee was om snel te kunnen counteren, maar in de praktijk betekende het dat de Poolse divisies binnen dagen werden omsingeld en vernietigd door de Duitse pantsereenheden.

De tweede fout was het gebrek aan een duidelijke strategie. Het Poolse oorlogsplan, Plan Zachód geheten, was vaag en onvoldoende uitgewerkt. Śmigły-Rydz hield details geheim – zelfs voor zijn eigen staf. Lager geplaatste officieren wisten vaak niet wat de bedoeling was. Toen de Duitse opmars sneller bleek dan verwacht, viel het hele plan uit elkaar.

De derde fout was de centrale commandovoering. Śmigły-Rydz wilde alle beslissingen zelf nemen. Maar de Duitse opmars was zo snel dat hij niet kon bijbenen. Zijn bevelen kwamen te laat en waren niet aangepast aan de situatie aan het front. Communicatielijnen braken af, en eenheden raakten geïsoleerd zonder verdere instructies.

De vierde fout was zijn vroegtijdige vlucht uit Warschau. In de nacht van 6 op 7 september – slechts vijf dagen na het begin van de oorlog – verliet Śmigły-Rydz de hoofdstad. Hij verplaatste zijn hoofdkwartier naar Brześć, honderden kilometers naar het oosten. Dit ondermijnde het moreel van de verdedigers enorm. De soldaten in Warschau wisten dat hun opperbevelhebber hen in de steek had gelaten. De regering volgde kort daarna.

De vijfde fout was het ontbreken van reserves. Door zijn troepen allemaal direct in te zetten, had Śmigły-Rydz geen reserves om op een Duitse doorbraak te reageren. Toen de Duitsers op een plek doorbraken, was er geen eenheid beschikbaar om het gat te dichten. Het front viel binnen twee weken volledig uiteen.

Binnen twee weken waren 22 van de 47 Poolse divisies vernietigd. Toen de Sovjet-Unie op 17 september 1939 ook Polen binnenviel, was het verzet hopeloos. Het Poolse leger vocht nog wel door – in Warschau, in de vesting Modlin, op het schiereiland Hel – maar er was geen gecoördineerde verdediging meer. Śmigły-Rydz was feitelijk niet meer in staat om zijn troepen te leiden.

Marta Zaleska – de spionne, de concubine, de ontsnapping met het zwaard

Te midden van deze catastrofe speelde een vrouw een opmerkelijke rol die lang buiten de geschiedenisboeken is gebleven. Haar naam was Marta Zaleska, en zij was de levensgezellin van Śmigły-Rydz. Ze trouwden nooit officieel – vandaar het ouderwetse woord “concubine” – maar hun relatie duurde jaren en was algemeen bekend binnen de militaire elite.

Marta was geen gewone partner. Ze was een voormalig agente van de Poolse Militaire Organisatie, de militaire inlichtingendienst. Aan het eind van de jaren twintig werkte ze voor een instantie die verbonden was met de Poolse inlichtingendienst. Ze was niet alleen de vrouw van de maarschalk; ze was ook een professional, getraind in het vak van spionage en contraspionage.

In 1938 kocht Marta een appartement in Monte Carlo, Monaco. Het appartement werd betaald met fondsen van de inlichtingendienst. Vanaf dat moment woonde ze permanent aan de Franse Rivièra. Waarom? Dat is nooit volledig opgehelderd. Historici vermoeden dat het appartement diende als een toevluchtsoord voor het geval Polen zou worden aangevallen, als een veilige haven voor waardevolle nationale bezittingen, en als een contactpunt voor Poolse agenten in het buitenland. Het is ook mogelijk dat Śmigły-Rydz, die de oorlog zag aankomen, zijn persoonlijke fortuin en de meest kostbare objecten van de Poolse staat in veiligheid wilde brengen.

Toen Duitsland op 1 september 1939 Polen binnenviel, was Marta niet in Warschau. Ze was – of reisde naar – Monte Carlo. Maar haar entourage en Śmigły-Rydz’ persoonlijke bezittingen waren nog in de Poolse hoofdstad. In de nacht van 14 op 15 september 1939, te midden van de chaotische Duitse opmars, reden twee vrachtwagens met huisraad van de maarschalk de grens met Roemenië over. Tussen de meubels en persoonlijke bezittingen bevond zich een bijzondere lading: het kroningszwaard van Augustus de Sterke, koning van Polen van 1670 tot 1733.

Hoe kwam het zwaard in haar handen?

Het kroningszwaard van Augustus de Sterke was geen persoonlijk bezit van Śmigły-Rydz. Het was staatseigendom, een nationaal symbool dat bewaard werd in de Poolse staatscollectie. Toch wist Marta het mee te nemen. Hoe?

Volgens de beschikbare bronnen gebeurde dit in de chaotische nacht van 14 op 15 september 1939. Terwijl de Duitse legers Warschau naderden en de regering uiteenviel, laadde Marta samen met haar entourage twee vrachtwagens vol met huisraad en meubels van de maarschalk. Tussen die spullen bevonden zich ook voorwerpen die eigendom waren van de Poolse staat – waaronder het kroningszwaard. Het is niet duidelijk of Śmigły-Rydz hiervan op de hoogte was of toestemming had gegeven. De chaos van de oorlog bood haar de gelegenheid om het zwaard mee te nemen zonder dat iemand controleerde wat er precies in de vrachtwagens zat.

Met haar reisden niet alleen de kostbaarheden, maar ook haar ouders, haar zus Regina, twee kamermeisjes, twee koks, een lakei en de marechaussee die de familie van de maarschalk moest beschermen. Het was een voltallige huishouding die de grens overstak – niet een stiekeme diefstal in de nacht, maar een openlijke evacuatie van persoonlijke en staatseigendommen.

Dit zwaard was een symbool van de Poolse monarchie, een object van onschatbare waarde en nationaal erfgoed.

Vanuit Roemenië reisde Marta verder. Op 27 september 1939 vertrok ze van Boekarest naar Zuid-Frankrijk. Het zwaard ging met haar mee – naar Monaco. Het bleef jarenlang in haar bezit. In 1950, vijf jaar na de oorlog en negen jaar na de dood van Śmigły-Rydz, verkocht ze het aan een in Parijs wonende Poolse wapenhandelaar, Stefan Czarnecki, voor 750.000 frank – destijds een klein fortuin. Waar het zwaard zich nu bevindt, is onduidelijk. Vermoedelijk is het in particuliere handen of verdwenen in een collectie.

Marta Zaleska overleefde de oorlog, maar haar einde was tragisch en mysterieus. In juli 1951 werd haar lichaam gevonden in een zak, veertig kilometer buiten Nice. Haar appartement in Monte Carlo was leeggeroofd. Persoonlijke documenten en brieven van maarschalk Śmigły-Rydz waren verdwenen. De moordenaar is nooit gevonden. Er bestaan theorieën: een afrekening binnen de Poolse emigrantengemeenschap, een roofmoord die misging, of liquidatie door agenten van de communistische geheime politie die haar geheime documenten wilden bemachtigen. We weten het niet. Marta Zaleska stierf anoniem en onopgelost.

De vlucht naar Roemenië en de internering

Terwijl Marta met het zwaard naar Monaco reisde, maakte Śmigły-Rydz zelf een andere reis. Op 18 september 1939, een dag nadat de Sovjet-Unie Polen was binnengevallen, vluchtte hij over de grens naar Roemenië. Met hem reisden president Ignacy Mościcki, de regering, en een groot deel van de militaire staf.

De Roemeense autoriteiten stonden voor een dilemma. Roemenië was officieel neutraal, maar had goede betrekkingen met zowel Polen als Duitsland. Om de Duitsers niet tegen zich in het harnas te jagen, arresteerden de Roemenen de Poolse leiders. Officieel was het een “internering” – ze werden niet gevangen gezet, maar mochten het land niet verlaten en mochten geen militaire of politieke activiteiten ontplooien.

Voor Śmigły-Rydz was de internering een vernedering. De man die zich had laten vereeuwigen als de redder van de natie, zat nu vast in een Roemeens vakantieoord, ver weg van de oorlog, terwijl zijn leger in Polen werd vernietigd. De internationale pers bespotte hem. De Amerikaanse journalist John Gunther schreef bijtend over de Poolse generaals die naar Roemenië waren gevlucht: “Ze hadden, zou je kunnen zeggen, ergens anders geïnterneerd moeten worden” – een sneer naar hun vroegtijdige vlucht.

Op 7 november 1939 nam Śmigły-Rydz ontslag als opperbevelhebber. Hij gaf de leiding over aan generaal Władysław Sikorski, die een Poolse regering in ballingschap zou opbouwen in Frankrijk en later in Londen. Śmigły-Rydz was uitgespeeld. Zijn naam was voorgoed verbonden met de catastrofe van september 1939.

Vooruitblik naar Deel 3

De internering in Roemenië was het dieptepunt, maar niet het einde. Śmigły-Rydz zou ontsnappen, terugkeren naar het bezette Polen, en zich aansluiten bij het verzet onder een valse naam. Zijn dood zou net zo mysterieus zijn als die van Marta Thomas-Zaleska: een hartaanval in een anoniem appartement in Warschau, een begrafenis onder een schuilnaam, en een graf dat pas in 1994 zijn officiële eer zou krijgen.

Over dat laatste hoofdstuk – de ontsnapping, de terugkeer, de dood en de nasleep – gaat Deel 3 van deze serie.