Aan het einde van deel 2 zat Śmigły-Rydz vast in Roemenië. De man die zich had laten vereeuwigen als de redder van de natie, de “tweede man in de staat”, de erfgenaam van Piłsudski, was nu een geïnterneerde vluchteling. Zijn leger was verslagen. Zijn land was bezet door twee vijanden: Duitsland in het westen, de Sovjet-Unie in het oosten. Zijn reputatie was verwoest.
Maar het verhaal was nog niet afgelopen. Śmigły-Rydz zou ontsnappen, terugkeren naar het bezette Polen, en zich onder een valse naam aansluiten bij het verzet. Zijn dood zou net zo mysterieus zijn als die van zijn concubine Marta Thomas-Zaleska jaren later. En zijn graf zou pas in 1994 de eer krijgen die hij in leven nooit had verdiend.
Dit is het verhaal van de val – van de internering, de ontsnapping, de terugkeer en de mysterieuze dood.
De internering in Roemenië (september 1939 – oktober 1940)
Toen Śmigły-Rydz op 18 september 1939 de Roemeense grens overstak, had hij waarschijnlijk gedacht dat hij slechts tijdelijk zou blijven. Roemenië was formeel neutraal, maar had goede banden met Polen. Misschien zou hij door kunnen reizen naar Frankrijk, waar een nieuwe Poolse regering in ballingschap werd gevormd. Misschien kon hij daar het verzet leiden.
Het liep anders. De Roemeense autoriteiten stonden onder druk van Duitsland. Hitler wilde niet dat de Poolse leiders naar het westen zouden ontsnappen om daar de strijd voort te zetten. De Roemenen besloten daarom om de Poolse vluchtelingen te “interneren” – een beleefd woord voor huisarrest. Śmigły-Rydz werd ondergebracht in een villa in het stadje Călimănești, in de Roemeense Karpaten. Hij mocht het terrein niet verlaten. Hij mocht geen contact opnemen met de buitenwereld. Hij was een gevangene.
De dagen werden weken, de weken werden maanden. Śmigły-Rydz zag hoe generaal Władysław Sikorski in Frankrijk de leiding nam over de Poolse regering in ballingschap. Sikorski was een rivaal uit de jaren dertig – een generaal die door Piłsudski aan de kant was geschoven en die nu de kans kreeg om Śmigły-Rydz te vervangen. In december 1939 werd Sikorski officieel opperbevelhebber van de Poolse strijdkrachten in het westen. Śmigły-Rydz was zijn titel kwijt.
De internering was een vernedering. De man die portretten van zichzelf had laten ophangen in alle overheidsgebouwen zat nu weg te kwijnen in een Roemeens vakantieoord, vergeten door de wereld. De internationale pers bespotte hem. De Amerikaanse journalist John Gunther schreef bijtend dat de Poolse generaals “ergens anders geïnterneerd hadden moeten worden” – een sneer naar hun vlucht uit Warschau. Śmigły-Rydz las het allemaal, en het moet diep hebben gekrenkt.
Maar hij gaf niet op. Hij wilde terug naar Polen.
De ontsnapping (oktober 1940)
In oktober 1940, meer dan een jaar na zijn vlucht, zag Śmigły-Rydz een kans. Roemenië was politiek aan het verschuiven. De dictator Ion Antonescu kwam steeds dichter bij Duitsland te staan. De positie van de Poolse geïnterneerden werd onzeker. Als Roemenië zich officieel bij de As zou aansluiten, zouden ze aan de Duitsers worden uitgeleverd. Dat mocht niet gebeuren.
Śmigły-Rydz ontsnapte. De details zijn niet helemaal duidelijk – hij heeft er zelf nooit uitgebreid over gesproken – maar hij wist Roemenië te verlaten en reisde naar Hongarije. Hongarije was formeel ook neutraal, maar stond eveneens onder Duitse invloed. Toch was er een actieve Poolse ondergrondse beweging in het land, met contacten naar het bezette Polen.
In Hongarije wachtte Śmigły-Rydz op zijn kans. Hij wilde terug naar Warschau.
De terugkeer naar bezet Polen (oktober 1941)
In juni 1941 viel Duitsland de Sovjet-Unie aan. Polen was nu verdeeld in twee bezettingszones: het Duitse Algemene Gouvernement in het westen en centrum, en de Sovjet-zone in het oosten. De Duitsers waren bezig met de verovering van de Sovjet-Unie; de achterhoede in Polen werd bewaakt, maar niet zo streng als in de eerste oorlogsjaren.
Śmigły-Rydz zag zijn kans. In oktober 1941 – twee jaar na zijn vlucht uit Polen – keerde hij terug. Hij reisde clandestien over de grens en arriveerde in Warschau. De stad was veranderd. De Duitse vlaggen hingen overal. De straten waren leeg ’s avonds, uit angst voor razzia’s. Joodse burgers werden al gedwongen om in een getto te wonen. De honger was zichtbaar op de gezichten van de mensen.
Śmigły-Rydz kwam niet terug als maarschalk. Hij kwam terug als een gewone man, onder een valse naam. Hij noemde zich Adam Zawisza – een pseudoniem dat niets deed denken aan zijn vroegere glorie. Geen uniform, geen portretten, geen marsen. Hij was een anonieme vluchteling in zijn eigen stad.
Hij zocht contact met de ondergrondse verzetsbeweging. Er waren verschillende groepen actief in Polen: de Armia Krajowa (het thuisleger), dat loyaal was aan de regering in ballingschap in Londen, en kleinere linkse en nationalistische groeperingen. Śmigły-Rydz sloot zich aan bij de ondergrondse, maar niet in een leidende rol. Hij was geen commandant meer. Hij was een gewone soldaat, of eigenlijk niet eens dat – hij was een adviseur, een oude man met ervaring, die zijn kennis ter beschikking stelde van de jongeren die de strijd tegen de Duitsers voortzetten.
Het moet een bittere ervaring zijn geweest. De man die ooit de machtigste van Polen was, liep nu door de straten van Warschau met een vals paspoort, op zoek naar onderdak. De verzetsbeweging had hem niet nodig als leider; de regering in Londen had hem al jaren geleden vervangen. Hij was overbodig.
De dood in Warschau (2 december 1941)
Śmigły-Rydz was in 1941 een gebroken man. De jaren van stress, de nederlaag, de internering, en het roken – hij was een zware roker – hadden zijn gezondheid geruïneerd. Hij leed aan een hartkwaal. De artsen hadden hem gewaarschuwd, maar in het bezette Warschau was er geen goede medische zorg.
Op 2 december 1941 stierf Edward Śmigły-Rydz in Warschau. De officiële doodsoorzaak was een hartaanval. Hij was 55 jaar oud.
Hij werd begraven onder zijn schuilnaam, Adam Zawisza, op de Powązki-begraafplaats in Warschau. Het was een anoniem graf, in een bezet land, zonder militaire eer, zonder maarschalkstitel, zonder dat de buitenwereld wist dat de voormalige dictator van Polen daar lag. Alleen een kleine kring van verzetsmensen was aanwezig.
Er zijn echter twijfels over de exacte omstandigheden van zijn dood. Sommige historici suggereren dat hij mogelijk later stierf – in de zomer van 1942 – en dat de dood in december 1941 een “schijndood” was om zijn ondergrondse activiteiten te verdoezelen. Hard bewijs is er niet. De meeste biografen houden vast aan 2 december 1941.
Wat gebeurde er met zijn lichaam?
Het graf onder de naam Adam Zawisza bleef jarenlang onopgemerkt. De Tweede Wereldoorlog woedde door, Warschau werd in 1944 vernietigd tijdens de Opstand van Warschau, en de begraafplaats overleefde ternauwernood. Na de oorlog kwam Polen onder communistisch bewind. De nieuwe machthebbers hadden geen enkele reden om de graf van een voormalige sanatie-dictator te eren. Integendeel: Śmigły-Rydz werd door de communisten gezien als een vijand, een man die had samengewerkt met de reactieve krachten van het vooroorlogse Polen.
Zijn graf bleef anoniem. Niemand wist wie Adam Zawisza werkelijk was geweest. Pas na de val van het communisme in 1989 kwam er ruimte voor een herevaluatie.
De herbegrafenis (1994)
In 1994, 53 jaar na zijn dood, kreeg Edward Śmigły-Rydz een officiële herbegrafenis. Zijn stoffelijke resten werden opgegraven en met alle militaire eer herbegraven op dezelfde Powązki-begraafplaats, maar nu onder zijn eigen naam. Er was een ceremonie met oud-strijders, militaire eerbewijzen, en toespraken over zijn rol in de strijd voor Poolse onafhankelijkheid.
Het was een merkwaardige gebeurtenis. De man die Polen naar de catastrofe van 1939 had geleid, die zijn leger in de steek had gelaten, die zichzelf tot maarschalk had bevorderd en een persoonlijkheidscultus had opgebouwd, werd nu geëerd alsof hij een nationale held was geweest. De herbegrafenis was niet zonder controverse. Overlevenden van de septembercampagne weigerden te komen. Historici schreven kritische artikelen. Maar de Poolse regering van de jaren negentig, op zoek naar symbolen van nationale continuïteit, vond het passend om de laatste opperbevelhebber van het vooroorlogse Polen een waardige begrafenis te geven.
Epiloog: Wat bleef er over?
Śmigły-Rydz stierf als een anonieme vluchteling, maar de geschiedenis is niet altijd mild voor verliezers. Zijn nalatenschap is omstreden. Historicus Paweł Wieczorkiewicz noemde zijn oorlogsvoering “een bijna misdadige uitvoering van het oorlogsplan”. Anderen, zoals Marian Zgórniak, zijn milder: “Ze waren geen genieën, maar ze deden min of meer wat hun plicht was. De geschiedenis was wreed voor hen.”
Śmigły-Rydz schreef zelf, kort voor zijn dood, in september 1941, een zin die zijn leven samenvat:
“In het licht van de overwinning smelten alle schulden weg; in de duisternis van de nederlaag worden zelfs zwakheden en fouten tot misdaden opgeblazen.”
Hij was de verliezer. En de geschiedenis is zelden mild voor verliezers.
Wat bleef er over? Een verwoest Polen, een verloren oorlog, een mysterieuze concubine met een koningszwaard aan de Franse Rivièra, en een anoniem graf dat pas een halve eeuw later zijn naam terugkreeg. De man die Piłsudski’s mantel had geërfd, bleek de mantel niet te kunnen dragen.




