De oorsprong – het land van de Pruzzen
Voordat er sprake was van Duitse ridders, Pruisische koningen of Russische oblasten, was Oost-Pruisen het land van een Baltisch volk dat zichzelf de Pruzzen noemde. Zij bewoonden het gebied tussen de Wisła en het Koerse Haf, een land van dichte bossen, duizenden meren en moerassen die eeuwenlang een natuurlijke barrière vormden tegen invallen van buitenaf.
Een volk van het water
De naam ‘Pruisen’ is afkomstig van deze oorspronkelijke bewoners. De stammen die het gebied bewoonden, ontleenden hun namen aan het landschap – en de meeste verwezen naar water. Pomesanië (Pameddi) betekende ‘bij het bos’ of ‘bij de honing’, Nadrauen verwees naar ‘op het hout’ of ‘bij de stroom’, en Bartië was verwant aan het woord voor ‘moeras’.
Toen de geograaf Claudius Ptolemaeus in de 2e eeuw na Christus zijn kaart van Europa samenstelde, vermeldde hij al een volk dat hij de Borusci noemde – mogelijk de voorouders van de Pruzzen.
De komst van de kruisvaarders
In 997 deed de eerste christelijke missionaris een poging om de Pruzzen te bekeren. De Poolse bisschop Adalbert van Praag werd echter gedood bij zijn poging het geloof te verspreiden. Een tweede mislukte poging volgde in 1009. Meer dan twee eeuwen lang bleven de Pruzzen in vrede wonen, totdat de machtsverhoudingen in de regio veranderden.
In de jaren 1220-1229 was het de Poolse hertog Koenraad I van Mazovië die hulp zocht. Zijn gebied werd regelmatig geteisterd door rooftochten van de Pruzzen, en hij kon hen niet alleen aan. Hij riep de hulp in van de Duitse Orde – een ridderorde uit het Heilige Land die na de val van Jeruzalem een nieuw thuis zocht.
De Orde zag een kans: ze zouden de Pruzzen onderwerpen, hen bekeren, en tegelijkertijd een eigen staat stichten op veroverd gebied.
Een bloederige verovering
Wat volgde was een conflict dat enkele decennia duurde. De Pruzzen boden felle weerstand en zochten steun bij Russische vorsten, maar de goed georganiseerde ridders met hun moderne vestingwerken waren uiteindelijk sterker. Opstanden braken uit en werden meedogenloos neergeslagen. Van de oorspronkelijke 130.000 Pruzzen overleefde uiteindelijk slechts de helft tot driekwart de verovering.
De Pruzzen werden gekerstend – maar niet door vreedzame missionering. Zij werden ‘met het zwaard’ bekeerd onder gezag van het Aartsbisdom Maagdenburg. De monniken van de Duitse Orde documenteerden de Pruisische taal, omdat ze die nodig hadden om de bevolking tot het christendom te bekeren. Deze fragmenten zijn het enige wat er overbleef van de taal.
Een nieuw land wordt geboren
De Orde bouwde een dicht netwerk van tientallen burchten, stichtte versterkte stadjes en bracht kolonisten uit het westen van het Duitse Rijk – en zelfs uit de Nederlanden. De immigratie maakte deel uit van de zogenaamde Oostkolonisatie: Duitse boeren, ambachtslieden en kooplieden vestigden zich in het gebied en vermengden zich geleidelijk met de oorspronkelijke bevolking.
Op de locatie van een voormalige Pruisische burcht ontstond de stad die later de hoofdstad van Oost-Pruisen zou worden: Königsberg (Koningsbergen).
Het einde van de Pruisische taal
Eeuwenlang bleef de Pruisische bevolking bestaan, maar ze raakte steeds meer in de minderheid. Na de vestiging van de lutherse reformatie in de 16e eeuw versnelde het assimilatieproces. Tegen het einde van de 17e eeuw stierf het Oudpruisisch uit als gesproken taal – een verdwenen taal van een verdwenen volk.
Wat overbleef was de naam ‘Pruisen’ – eerst voor een hertogdom, later voor een koninkrijk, en uiteindelijk voor een provincie die tot ver buiten de oorspronkelijke grenzen van de Pruzzen reikte.
In deel 2 van dit artikel lees je hoe de Duitse Orde een eigen staat vestigde, en hoe Oost-Pruisen een Pools leen werd.





