Het pseudoniem dat ze ooit gebruikte, ‘Rose Ladson’, was meer dan een schuilnaam. Het was een onbedoelde hint naar een verborgen erfenis. Ver voor haar geboorte schiep de Ladson-familie in South Carolina haar welvaart in een wereld van plantages, waar menselijk lijden de munt was voor grote winsten. Het traceren van deze lijn is niet alleen een oefening in stamboomonderzoek; het is het blootleggen van de vaak onzichtbare draden die het verleden van slavernij verbinden met de hedendaagse macht.

Oorsprong en opkomst (17e-18e eeuw)

De wortels van de Ladson-familie in Amerika reiken terug tot een tijdperk van koloniale expansie, waarin fortuin werd gemaakt uit de handel in land, handelswaar en mensen. Het verhaal begint niet in Charleston, maar op het Caribische eiland Barbados, het centrum van de vroegmoderne suiker- en slavenhandel. Rond 1679 arriveerde John Ladson – een Engelsman van wie wordt aangenomen dat hij via Barbados reisde – in de jonge havenstad Charles Town (het latere Charleston). Zijn aankomst markeerde niet alleen een persoonlijk nieuw begin, maar ook het prille startpunt van een dynastie.

Bij John Ladson’s komst waren twee zaken bepalend voor de toekomst van zijn nageslacht: hij verkreeg al snel een landtoelage van 340 hectare, gelegen tussen de Ashley en Cooper rivieren, en hij arriveerde niet alleen. Zoals blijkt uit historische documenten, werd hij vergezeld door Sara, een tot slaaf gemaakte Afrikaanse vrouw die hij vanuit Barbados meebracht. Deze twee feiten – het verwerven van grond en het bezit van mensen – vormden de onwrikbare pilaren waarop de Latson-familie haar rijkdom en sociale positie gedurende bijna twee eeuwen zou opbouwen.

In de decennia die volgden, consolideerde en vergrootte de familie haar positie door strategische huwelijken binnen de kleine kring van de Anglicaanse planterselite. John’s zoon, William Ladson, trouwde met Anne Gibbes, een lid van een vooraanstaande en vermogende familie. Dergelijke verbintenissen waren cruciaal; ze verenigden niet alleen landerijen, maar ook politieke invloed en handelsnetwerken. In een samenleving waar sociale status, economische macht en rassenhiërarchie onlosmakelijk met elkaar verbonden waren, manoeuvreerden de Ladsons zich zo van nieuwkomers naar gevestigde machthebbers. Tegen het midden van de 18e eeuw waren ze stevig verankerd in de hoogste kringen van South Carolina, klaar om hun rijkdom en invloed in de volgende eeuw naar een dramatisch hoogtepunt te brengen.

Politieke macht en economisch hoogtepunt (eind 18e-mid 19e eeuw)

De 18e eeuw eindigde voor de Ladson-familie niet met verval, maar met een verdieping van hun invloed in zowel de politieke arena als de gruwelijke economie van slavernij. James Ladson (1753-1812) belichaamde deze overgang. Als veteraan van de Revolutionaire Oorlog klom hij op tot de positie van luitenant-gouverneur van South Carolina. Zijn huwelijk met Judith Smith, dochter van de vooraanstaande koloniale leider en prominente slavenhandelaar Benjamin Smith, was meer dan een verbintenis van twee families; het was een fusie van politieke macht met de kern van het slavenhandelskapitaal. Deze alliantie verankerde de Ladsons onherroepelijk in het systeem dat hun welvaart garandeerde.

Het was echter zijn kleinzoon, James H. Ladson (1795-1868), die het familie-imperium naar zijn brute hoogtepunt leidde. Als eigenaar van de rijstplantages La Grange en Fawn Hill in de Colleton-districten, stond hij aan het hoofd van een agrarische onderneming van industriële proporties. Jaarlijks rolden hier ongeveer 600.000 pond rijst van de velden, een productie die alleen mogelijk was door de arbeid van meer dan 200 tot slaaf gemaakte mannen, vrouwen en kinderen. Ladson was geen afstandelijke landheer; hij was een proactief ondernemer, actief als koopman en consul voor Denemarken, en fungeerde zo als een directe schakel tussen de plantage-economie van het Zuiden en de internationale handel.

Ladson’s overtuiging was diep en openlijk. Hij geloofde niet alleen in slavernij als economisch model, maar ook als een door God gegeven sociale orde. In een opvallend verslag uit 1845 onthulde hij hoe hij het christendom inzette als een instrument voor controle: “Ik ben ervan overtuigd dat de invloed van deze instructie op de discipline van mijn plantage… heilzaam is geweest. Hun geest is opgewekt… en het respect voor de opzichter… blijkt uit een gewillige gehoorzaamheid.” Deze woorden geven een onthullend inkijkje in de psychologie van de macht: het trachten te vormen van de geest van de onderdrukte tot ‘gewillige gehoorzaamheid’ was de ultieme manifestatie van een systeem dat totale dominantie zocht.

Tegen het midden van de 19e eeuw stond de Ladson-familie op het toppunt van haar macht. Hun rijkdom was tastbaar, hun politieke netwerken stevig verankerd en hun sociale status onaantastbaar. Deze positie was echter volledig afhankelijk van een sociaal-economische orde die onder steeds grotere druk kwam te staan, en wier ondergang uiteindelijk de neergang van deze tak van de familie zou inluiden.

De verbinding met Ursula von der Leyen

Hoe loopt de lijn van de rijstvelden van South Carolina naar het Europees Hof in Brussel? De verbinding tussen Ursula von der Leyen en de Ladson-familie is niet verborgen of ver te zoeken, maar wordt gevormd door een duidelijke genealogische lijn en een opvallende persoonlijke keuze die Von der Leyen ooit maakte.

De directe familiale lijn verloopt via haar vaders kant:

  • James H. Ladson (1795-1868), de plantage-eigenaar van La Grange en Fawn Hill, was de vader van William Henry Ladson (1829-1861).
  • William Henry Ladson was op zijn beurt de vader van Mary Ladson Robertson (1883-1960).
  • Mary Ladson Robertson trouwde met de Duitse katoenkoopman Carl Albrecht (1875-1952). Hun zoon, ook genaamd Carl Albrecht (1902-1965), werd de vader van Ernst Albrecht (1930-2014).
  • Ernst Albrecht is de vader van Ursula von der Leyen. Hiermee is Mary Ladson Robertson haar overgrootmoeder, en James H. Ladson haar betovergrootvader.

Het meest persoonlijke en onthullende bewijs van deze band ligt echter in een episode uit Von der Leyens eigen jeugd. In 1978, toen ze als tiener economie studeerde, werd haar familie bedreigd door de linkse terroristische Rote Armee Fraktion (ook wel bekend als de Baader-Meinhof groep). Voor haar veiligheid werd ze onder politiebescherming naar Londen gestuurd om daar onder een schuilnaam aan de London School of Economics te studeren. De naam die ze koos, was geen willekeurige fantasie: ze noemde zich “Rose Ladson”. “Rose” (of het Duitse “Röschen”) was haar jeugdige bijnaam, “Ladson” was de familienaam van haar Amerikaanse overgrootmoeder. Dit was een bewuste en zeer persoonlijke verwijzing naar deze tak van haar familiegeschiedenis, die ze zelfs in een tijd van nood en gevaar niet wilde verbergen. Het jaar in Londen onder deze naam omschreef ze later als een periode van grote vrijheid en vorming.

Dit artikel maakt duidelijk dat de geschiedenis van de Ladson-familie geen abstract historisch feit is, maar een tastbaar onderdeel van de persoonlijke achtergrond van een van de machtigste leiders van het hedendaagse Europa. De erfenis van slavernij, ver weg in tijd en plaats, is door deze directe lijn en Von der Leyens eigen keuze om de naam te dragen, onlosmakelijk verbonden met haar verhaal.

Heeft zij geprofiteerd van slavernij? Indirect, via haar afkomst.

De historische informatie is het duidelijkst. Ursula von der Leyen is via haar overgrootmoeder Mary Ladson Robertson een afstammeling van de Ladson-familie van Charleston, South Carolina. De Ladsons waren een vooraanstaande familie in het Amerikaanse Zuiden en maakten deel uit van de “slavenhouder dynastieën” die hun rijkdom bouwden op “grootschalige landbouw gebaseerd op slavenarbeid”. Ze worden beschreven als “één van de rijkste katoenproducenten” en “één van de meest invloedrijkste slavenhouder dynastieën”, die “honderden slaven” bezaten op hun plantages.

Het indirecte verloop van erfelijke rijkdom

Het indirecte voordeel is eerder te zoeken in concepten als sociale en politieke kapitaal dat over generaties kan worden doorgegeven. Het is aannemelijk dat de welvarende status van de Ladson-familie en de door hun rijkdom gefaciliteerde huwelijken (zoals dat van Mary Ladson Robertson met de Duitse katoenhandelaar Carl Albrecht) hun afstammelingen toegang gaven tot betere kansen, een exclusieve opleiding en invloedrijke sociale netwerken. Dit vormt een verticaal voordeel dat moeilijk te kwantificeren, maar wel reëel is. Von der Leyens vader, Ernst Albrecht, bijvoorbeeld, werd een topambtenaar in Europa en later minister-president van Nedersaksen.