America First’ was niet slechts een verkiezingsleus; het was een revolutionaire verklaring. Toen Donald Trump in januari 2026 importheffingen aankondigde om Europese bondgenoten te dwingen tot de verkoop van Groenland, werd een taboe definitief doorbroken: een NAVO-partner gebruikte economische chantage om een andere bondgenoot tot territoriale concessies te dwingen. Deze actie is geen uitbijter, maar het logische eindpunt van een jarenlange erosie. Het markeert het definitieve einde van de trans-Atlantische wereld zoals die na 1945 werd geconstrueerd – een wereld van samenwerking, gedeelde waarden en een op regels gebaseerde internationale orde. Die wereld is voorbij. In dit artikel betoog ik dat de huidige relatie geen ‘moeilijke fase’ is, maar een fundamentele breuk. Het einde van de Koude Oorlog was niet het ‘einde van de geschiedenis’, maar het begin van het einde van de Atlantische eeuw.

Fundamenten van de trans-atlantische orde

Een huwelijk uit noodzaak: hoe de trans-atlantische wereld werd geboren uit de as van 1945

Het werkelijke fundament: de existentiële angst

De trans-Atlantische wereld begon niet met een handdruk, maar met een siddering. In 1945 lag Europa niet alleen fysiek in puin, maar ook moreel en politiek bankroet. De angst was tweeledig en existentieel. Ten eerste was er de acute, fysieke dreiging van de Sovjet-Unie, wier legers het hart van het continent bezetten en lokale communistische partijen in landen als Frankrijk en Italië een machtige positie gaven. Het spook van een communistische machtsovername was reëel.

Ten tweede, dieper en fundamenteler, was er de collectieve angst van de Atlantische elite voor een herhaling van de catastrofe van 1914-1945. Twee wereldoorlogen, een economische depressie en de opkomst van het totalitarisme werden gezien als het directe gevolg van een internationaal systeem gebaseerd op nationalistisch protectionisme, imperialistische rivaliteit en machtspolitiek zonder regels. Dit was het ‘Nooit Meer’-syndroom. Het antwoord moest een radicale breuk zijn met die oude wereld: een systeem van collectieve veiligheid, economische samenwerking en gedeelde (westerse) waarden, onder leiding van de enige macht die daartoe in staat was: de Verenigde Staten.

De deal en de Architectuur: een asymmetrisch pact

Uit deze gedeelde, doch ongelijke, angst groeide een asymmetrische deal die de blauwdruk werd voor de hele 20e-eeuwse orde. Het was een ruil van fundamentele belangen.

De Amerikaanse inzet: De VS bood veiligheid en kapitaal. De NAVO (1949) was het formele militaire keurslijf, met Artikel 5 als de heilige, nucleaire garantie. Het Marshallplan (1948) was de economische injectie om West-Europa te stabiliseren tegen communistische subversie. Het Bretton Woods-systeem (1944) – met de dollar als anker, de Wereldbank en het IMF – creëerde een voorspelbare, door de VS gedomineerde economische orde. De deal was helder: Wij (de VS) betalen en beschermen, op voorwaarde dat jullie (Europa) onze leiding volgen en een anti-communistisch blok vormen.

De Europese inzet: Europa offerde soevereiniteit en strategische autonomie op in ruil voor die garanties. Het accepteerde permanente Amerikaanse militaire bases op zijn grondgebied, een beslissende Amerikaanse stem in zijn veiligheidsbeleid, en het Amerikaanse economische systeem als de standaard. Het Europese eenwordingsproject – van de EGKS naar de EEG – werd van meet af aan gezien en gesteund door Washington als een functionele manier om het continent te stabiliseren en beter beheersbaar te maken binnen het Atlantische kader.

Deze architectuur was bewust ongelijk. Het was een hiërarchie, geen partnerschap tussen gelijken. De spanningen zaten er vanaf het begin in, zichtbaar in de Suezcrisis (1956), waar de VS zijn Europese bondgenoten vernederend tot de terugtrekking dwong, en de constante Amerikaanse klacht over Europese ‘free-riding’ op defensie.

De conclusie: een tijdelijke anomalie

Dit is de kern van het argument: de trans-Atlantische constellatie van de late 20e eeuw was een historische anomalie. Ze was niet de natuurlijke staat van de internationale betrekkingen, maar een uitzonderlijke, kunstmatige constructie die slechts kon overleven onder drie specifieke voorwaarden:

  1. Een existentiële, gedeelde vijand (de Sovjet-Unie), die interne tegenstellingen overschreef.
  2. Een onbetwiste Amerikaanse hegemon, die bereid was publieke goederen (veiligheid, economische stabiliteit) te leveren.
  3. Een Europees continent dat bereid was afhankelijk te zijn, uit angst en zwakte.

Dit was geen op waarden gebaseerde vriendschap, maar een op angst en berekening gebaseerd noodpact. Het werkte briljant om de dreiging van de Koude Oorlog te beheersen en West-Europa welvarend te maken. Maar haar succes bevatte de kiem van haar eigen ondergang. Toen de Sovjet-Unie viel, verdween de primaire reden voor het bestaan van het pact. Wat bleef was een hiërarchische structuur zonder het oorspronkelijke, dringende doel – een kaartenhuis dat wachtte op de eerste stevige wind van verandering.

Vandaag, in 2026, zijn deze drie pijlers niet langer vervuld. Ze zijn niet aangetast; ze zijn vernietigd.

De val van de Sovjet-Unie

De val van de Sovjet-Unie was geen plotselinge gebeurtenis, maar een geleidelijk uiteenvallen tussen 1988 en 1991, dat het einde van de Koude Oorlog markeerde. Het directe gevolg was dat het centrale fundament van de trans-Atlantische wereldorde verdween.

Het proces werd ingeleid door het hervormingsbeleid (perestrojka) en openheid (glasnost) van Michail Gorbatsjov vanaf 1985. Deze hervormingen, bedoeld om het systeem te redden, leidden onbedoeld tot een kettingreactie: ze verzwakten de greep van de Communistische Partij.

De definitieve klappen kwamen in snel tempo:

  • 1989: De val van de Berlijnse Muur en de communistische regimes in Oost-Europa, waarbij de Sovjet-Unie afzag van militair ingrijpen.
  • 1990-1991: Een golf van onafhankelijkheidsverklaringen door republieken als Litouwen, Letland en Oekraïne.
  • Augustus 1991: Een mislukte staatsgreep door conservatieve communisten tegen Gorbatsjov, die Boris Jeltsin tot nationale held maakte en de centrale autoriteit van de partij en het leger verpletterde.

Op 25 december 1991 trad Gorbatsjov af als president. De dag erop werd de Sovjet-Unie officieel ontbonden en vervangen door het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS).

Deze gebeurtenis was cruciaal: het vernietigde de eerste van de drie noodzakelijke voorwaarden voor de oude trans-Atlantische constellatie: de existentiële, gedeelde vijand.

Amerikaanse hegemon: van leider naar imperium in verval

De rol van de Verenigde Staten als onbetwiste, welwillende hegemon – de hoeksteen van de 20e-eeuwse orde – is onhoudbaar gebleken. Net als alle grote rijken in de geschiedenis (van het Romeinse Rijk tot het Britse Rijk) wordt de Amerikaanse positie ondermijnd door dezelfde onverbiddelijke krachten: imperial overstretch en financiële erosie. Dit is geen beleidsfout, maar het historische lot van een macht die haar middelen structureel heeft overschat.

Military overstretch: de grenzen van globale politieman
De VS belichaamt het dilemma dat de historicus Paul Kennedy beschreef in The Rise and Fall of the Great Powers: de mondiale politieke en militaire verplichtingen van een grootmacht groeien uiteindelijk voorbij haar economische capaciteit om ze te dragen. Sinds het einde van de Koude Oorlog heeft Amerika een unipolaire moment geprobeerd om te zetten in een permanente wereldorde onder zijn leiding. Dit leidde tot een reeks kostbare, open-ended militaire interventies (Irak, Afghanistan, Syrië) en een netwerk van meer dan 800 militaire bases wereldwijd. Deze permanente oorlogsvoering en wereldwijde inzet putten het materieel, het personeel en, cruciaal, het politieke draagvlak uit. De Amerikaanse belastingbetaler en politiek hebben geen eindeloze appetijt voor het leveren van veiligheid als een publiek goed voor bondgenoten die zelf niet genoeg bijdragen.

Financiële erosie: de dchuldenval
Dit militaire strekken werd gefinancierd op de pof. De Amerikaanse staatsschuld is opgelopen tot meer dan 120% van het BBP, een niveau dat historisch gezien het functioneren van een imperium begint te belemmeren. Deze schuld is geen toevalligheid, maar de structurele uitkomst van een politiek die weigert de externe ambities af te stemmen op de interne middelen: belastingverlagingen gecombineerd met hoge militaire uitgaven. Het Bretton Woods-systeem, ooit het symbool van Amerikaanse economische suprematie, viel al in 1971 toen de VS de gouddekking van de dollar moest opzeggen. Vandaag is de positie van de dollar als wereldreservemunt niet langer een vanzelfsprekendheid, maar een machtsinstrument dat steeds openlijker wordt ingezet (via sancties), wat andere grootmachten (China, Rusland) juist aanzet tot het zoeken naar alternatieven. Het fundament van de hegemonie – economische superioriteit – is uitgehold.

Het parallel met Rome: het einde van de Pax Americana
De parallel met de val van het Romeinse Rijk is treffend, niet als exacte blauwdruk maar als archetype. Rome kon zijn enorme rijk en de Pax Romana niet eeuwig volhouden omdat de kosten van verdediging van de grenzen (limes) en het onderdrukken van opstanden de economische productie en het belastingstelsel te boven gingen, terwijl interne politieke verdeeldheid toenam. Op dezelfde manier stelt het ‘America First’-beleid simpelweg de logische, zij het brutale, conclusie van deze geschiedenis: de VS kan en wil de rol van welwillende, onbaatzuchtige wereldpolitieman niet langer spelen. De vraag is niet of de hegemonie afbrokkelt, maar hoe chaotisch en conflictueus dat proces zal verlopen. De welwillendheid is verdampt, wat overblijft is een transactionele, vaak vijandige macht die haar resterende kracht gebruikt om bondgenoten te intimideren in plaats van ze te leiden – zoals de Groenland-crisis van 2026 pijnlijk aantoonde.

Het “instorten” van de Amerikaanse hegemon is dus geen politieke mening, maar een historisch-structureel proces. Het verklaart waarom de tweede pijler van de oude trans-Atlantische wereld – een VS die garant staat voor stabiliteit – is weggevallen en heeft plaatsgemaakt voor een macht die haar eigen overleving nastreeft ten koste van haar bondgenoten.

Het ‘Sacrum Imperium’ en de nieuwe Duitse ambitie

De term Sacrum Imperium verwijst naar het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie, dat van 962 tot 1806 bestond als een losse maar invloedrijke politieke constellatie in Midden-Europa. Het concept van een door Duitsland geleide Mitteleuropa is een oud geopolitiek idee dat stelt dat het geografische, demografische en economische overwicht van Duitsland van nature tot leiderschap in de regio zou moeten leiden. Na de Tweede Wereldoorlog werd deze ambitie decennialang bewust onderdrukt: Duitsland koos voor een “verankering in het Westen” (Westbindung) en integreerde zich in Europese structuren om vertrouwen te winnen en zichzelf als civiele grootmacht te profileren.

Hoe Duitsland leiderschap uitoefent

De nieuwe assertieve rol van Duitsland manifesteert zich op meerdere manieren, die direct ingaan tegen de vroegere afhankelijkheid:

Op defensiegebied: Duitsland zet grote stappen naar strategische onafhankelijkheid van de VS. Er zijn toezeggingen gedaan van honderden miljarden euro’s voor versterking van de Bundeswehr en infrastructuur. Er zijn gesprekken gevoerd over een Europese atoomparaplu en het verkrijgen van een eigen nucleaire afschrikking, onafhankelijk van de Amerikaanse garanties.

Via economisch en politiek overwicht: Historisch gezien oefende Duitsland al grote invloed uit via de sterke Duitse Mark en een streng monetair beleid. Vandaag zet Duitsland dit overwicht in om het EU-beleid naar zijn hand te zetten, bijvoorbeeld in klimaatvraagstukken die de Duitse industrie raken.

Het historisch gegroeide Duitse zelfvertrouwen en de noodzaak door de Amerikaanse terugtrekking hebben geleid tot een afgeworpen schuldgevoel en een streven naar zelfbeschikking.

De machtsverhouding is gekanteld: Het traditionele evenwicht binnen de EU (de Frans-Duitse as) is verstoord ten gunste van Duitsland.

Conclusie: in de wachtkamer van de geschiedenis

De diagnose is gesteld. De drie pijlers zijn gevallen, en daarmee is de trans-Atlantische wereld van de 20e eeuw een historisch hoofdstuk geworden. Wij staan nu niet aan het einde van de geschiedenis, maar in de lege ruimte die een vertrokken orde achterlaat: in de wachtkamer van de geschiedenis, in afwachting van dat wat komen gaat.

De vraag is niet langer of de oude constellatie voorbij is, maar wat er voor in de plaats komt. De contouren van de nieuwe orde zijn nog vaag, maar ze worden getekend door de krachten die de oude hebben vernietigd:

Het tijdperk van de multipolaire orde. Het unipolaire moment van Amerikaanse hegemonie is voorbij. In de plaats komt een wereld van meerdere, concurrerende machtscentra: de VS, China en Rusland.

De opkomst van het ‘Europa der Naties 2.0’. Het Duitse Sacrum Imperium zal niet leiden tot een federaal superstaat, maar tot een flexibel, door intergouvernementele deals geleid Europa, waar Berlijn de eerste onder gelijken is. Dit Europa zal zijn eigen belangen, van energiezekerheid tot technologisch soevereiniteit, met harde hand nastreven, ook als deze botsen met Washington.

De institutionalisering van conflict. De nieuwe orde zal niet harmonieus zijn. De spanningen zullen niet verdwijnen, maar worden geïnstitutionaliseerd in permanente onderhandelingsraden, conflict-arbitrage-mechanismes en een voortdurende diplomatieke Realpolitik. De Groenland-crisis van 2026 is geen uitbijter; zij is het prototype voor toekomstige geschillen.

Dit is het ongemakkelijke tussenrijk waarin wij nu leven. Het oude is dood, het nieuwe is nog niet geboren. Het is een tijd van onzekerheid, van gevaar, maar ook van mogelijkheid.