“My ludzie skromni, ludzie prości” – met deze nederige aanhef opent Julian Tuwim een van zijn meest indringende gedichten. “Modlitwa” is echter allesbehalve een traditioneel gebed om genade. Het is de stem van een gemeenschap die, gekneld tussen de ruïnes van het verleden en de dreiging van de toekomst, haar lot in eigen handen lijkt te nemen door God een radicale morele agenda voor te schrijven. Tuwim transformeert de intieme religieuze vorm tot een krachtig publiek instrument: een sociaal manifest in verzen. In dit manifest eist het ‘eenvoudige volk’ niet alleen spirituele verlichting, maar bovenal een concrete, rechtvaardige wereldorde. Dit artikel analyseert hoe Tuwims “Modlitwa” functioneert als een poëtische blauwdruk voor een nieuw Polen, waarbij het de grenzen tussen smeken en eisen, tussen gebed en programma, opzettelijk doet vervagen. Het gedicht blijkt daarmee een uniek historisch document en een tijdloze reflectie op de verwevenheid van hoop, rechtvaardigheid en politieke verandering.
Julian Tuwim – de virtuoze stem van een tijdperk
Julian Tuwim (1894–1953) was een van de meest invloedrijke en geliefde dichters in het Polen van het interbellum. Als medeoprichter van de experimentele Skamander-groep brak hij bewust met de plechtige traditie van de ‘Jonge Polen‘, om in plaats daarvan de dynamiek, trivialiteit en spreektaal van het moderne stadsleven te vieren.
Als Joods-Poolse dichter werd Tuwim gedwongen te vluchten bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In ballingschap schreef hij het weemoedige epos Kwiaty polskie en het manifest My, Żydzi Polscy (Wij, Poolse Joden). Na zijn terugkeer in 1946 schreef hij weinig nieuws, maar zijn status als een van de grootste woordkunstenaars van de Poolse taal stond al onomstotelijk vast.
Interpretatie van ‘Modlitwa’
Een nieuw beginsel: de kracht van de gewone mens
My ludzie skromni, ludzie prości,
Żadni nadludzie ni olbrzymy,
Boga o inną moc prosimy,
O inną drogę do wielkości:
Wij, bescheiden mensen, eenvoudige mensen,
Geen uebermenschen, geen reuzen
Wij vragen God om een andere kracht,
Om een andere weg naar grootheid:
Chmury nad nami rozpal w łunę,
Uderz nam w serca złotym dzwonem,
Otwórz nam Polskę, jak piorunem
Otwierasz niebo zachmurzone.
Ontsteek de wolken boven ons in een gloed,
Sla op onze harten met een gouden bel,
Open voor ons Polen, zoals met een bliksemschicht
Jij de bewolkte hemel opent.
Daj nam uprzątnąć dom ojczysty
Tak z naszych zgliszcz i ruin świętych
Jak z grzechów naszych, win przeklętych.
Niech będzie biedny, maar czysty
Nasz dom z cmentarza podźwignięty.
Maak het reinigen van ons vaderhuis mogelijk
Zowel van onze puinhopen en heilige ruïnes
Als van onze zonden, van vervloekte schuld.
Laat het arm zijn, maar rein
Ons huis, opgericht vanonder het kerkhof.
Het openingsdeel van Tuwims “Modlitwa” zet onmiddellijk de toon voor het gehele manifest. Het is meer dan een aanroeping; het is een principiële verklaring van intentie en een radicale herdefiniëring van nationale waarden.
De aanhef “Wij, bescheiden mensen, eenvoudige mensen” is fundamenteel. Tuwim positioneert hier niet de elite, de held of de intellectueel als subject, maar het collectief van de prości – de eenvoudigen, de gewone mensen. Dit is een democratisch en ethisch statement. De afwijzing van “übermenschen” en “reuzen” is dubbelzinnig: het verwerpt zowel de Nietzscheaanse ideologie van de superioriteit van bepaalde individuen of rassen (een duidelijke verwijzing naar het opkomende nazisme) als de romantische traditie van de Poolse helden- en martelaarscultus. De gemeenschap vraagt niet om bovenmenselijke kracht, maar om “een andere kracht” en “een andere weg naar grootheid”. Dit wijst op een verlangen naar een nieuwe, collectieve ethiek die niet is gebaseerd op militarisme of individueel genie, maar op gemeenschapszin en morele zuiverheid.
Een apocalyptisch visioen van opening
De oproep tot God is beeldend en gewelddadig: “Ontsteek de wolken… Sla op onze harten… Open voor ons Polen”. Het vuur en de bliksem zijn traditionele symbolen van goddelijk ingrijpen en zuivering. De kernmetafoor – “Open voor ons Polen, zoals… Jij de bewolkte hemel opent” – is cruciaal. Polen wordt hier voorgesteld als iets geslotens, bedolven onder de duisternis van onderdrukking, historisch trauma en misschien moreel verval. Het is een verzoek om een dramatische, historische doorbraak.
Zuivering: van puin naar morele reinheid
Het centrale verlangen van dit deel is de reiniging van het “vaderhuis”. Dit is de sterkste metafoor voor het thuisland. De reiniging moet dubbel zijn. Van “puinhopen en heilige ruïnes”. Dit verwijst naar de daadwerkelijke verwoesting van Polen, maar ook naar de last van een romantisch-idealistische geschiedenis (“heilige ruïnes”) die moet worden opgeruimd – fysiek dus. En reiniging van zonden – moreel dus.
Het einddoel is niet rijkdom of macht, maar zuiverheid: “Laat het arm zijn, maar rein”. Dit is een radicale, bijna ascetische visie op het vaderland. Het huis moet worden “opgericht vanonder het kerkhof”, wat het beeld compleet maakt: de wedergeboorte van Polen is een opstanding uit de dood, een nieuw begin dat alleen mogelijk is na een grondige loutering van zowel materiële als spirituele ruïnes.
Het sociale en politieke programma
Ziemi, gdy z martwych się obudzi
I brzask wolności ją ozłoci,
Daj rządy mądrych, dobrych ludzi,
Mocnych w mądrości i dobroci.
Als de aarde zich uit de dood opricht
En de dageraad der vrijheid haar verguld,
Geef dan het bestuur van wijze, goede mensen,
Sterk in wijsheid en goedheid.
A kiedy lud na nogi stanie,
Niechaj podniesie pięść żylastą:
Daj pracującym we władanie
Plon pracy ich we wsi i miastach,
Bankierstwo rozpędź – i spraw, Panie,
By pieniądz w pieniądz nie porastał.
En wanneer het volk op de benen staat,
Laat het dan de gespierde vuist heffen:
Geef de macht aan de werkenden
De vrucht van hun arbeid in dorp en stad,
Jaag het bankierswezen uiteen – en maak, Heer,
Dat geld niet meer rente op rente draagt (woeker voorkomt).
Pysznych pokora niech uzbroi,
Pokornym gniewnej dumy przydaj,
Poucz nas, że pod słońcem Twoim
“Nie mas Greczyna ani Żyda”.
Laat hoogmoedigen bewapend worden met nederigheid,
Geef de nederigen een portie verontwaardigde trots,
Leer ons, dat onder Uw zon
“Geen Griek of Jood meer bestaat” (iedereen gelijk is).
Het tweede deel van “Modlitwa” verplaatst de focus van algemene morele reiniging naar een concreet, revolutionair programma voor de nieuwe Poolse staat. Het is een blauwdruk voor een samenleving gebaseerd op sociale rechtvaardigheid, economische gelijkheid en radicale menselijke gelijkwaardigheid.
Een utopie van het gezond verstand
De voorwaarde is de opstanding: “Als de aarde zich uit de dood opricht”. Vervolgens formuleert Tuwim een ogenschijnlijk bescheiden, maar in de praktijk radicale wens: “Geef dan het bestuur aan wijze, goede mensen, / Sterk in wijsheid en goedheid.” Dit klinkt als gezond verstand, maar het is een directe afwijzing van de politieke realiteit van zijn tijd – een realiteit van autoritaire regimes, corrupte elites en ideologische fanatici. Het is een pleidooi voor een “aristocratie van de deugd”, waarin leiderschap gebaseerd is op moreel kompas, niet op macht of rijkdom.
De economische revolutie: macht aan de werkenden
Hier wordt het programma van het gedicht het meest expliciet in haar sociaal-economische eisen. Het beeld van het volk dat ‘de gespierde vuist heft’ ontleent zijn kracht aan de iconografie van arbeidersprotest. De concrete eisen – dat de werker de vrucht van zijn eigen arbeid bezit, dat het bankierswezen wordt uiteengejaagd, dat rente op rente (woeker) wordt voorkomen – vormen een fundamentele aanklacht tegen het kapitalistische systeem, dat als parasitair en uitbuitend wordt veroordeeld.
De bekroning van deze morele omkering is de bede ontleend aan Paulus’ brief aan de Galaten (3:28): “Leer ons, dat onder Uw zon / ‘Geen Griek of Jood meer bestaat.'”
Dit is geen politiek statement, maar een theologisch fundament: alle mensen zijn gelijk in de ogen van God. Paulus’ woorden verkondigen dat in Christus de oude scheidslijnen tussen volken zijn opgeheven. Tuwim plaatst deze belofte van radicale, spirituele gelijkwaardigheid in het hart van zijn gebed.
Voor de dichter is dit een levende eis: de nieuwe samenleving moet geworteld zijn in de erkenning dat ieder mens voor God gelijk staat. Etniciteit, afkomst of religie verliezen hun onderscheidende betekenis wanneer mensen voor Gods aangezicht treden. Het is een oproep om voorbij alle categorieën te kijken naar de gedeelde menselijkheid die ieder individu voor God gelijk maakt.
De aanval op macht en de eis voor waarheid
Puszącym się, nadymającym
Strąć z głowy ich koronę głupią,
A warczącemu wielkorządcy
Na biurku postaw czaszkę trupią.
Sla de domme kroon van het hoofd
Van hen die zich opblazen en dikdoen,
En zet op het bureau van de grommende alleenheerser
Een doodshoofd neer.
Piorunem ruń, gdy w imię sławy
Pyszałek chwyci broń do ręki,
Nie dopuść, żeby miecz nieprawy
Miał za rękojeść krzyż Twej męki.
Laat een bliksem neerdalen, wanneer in naam van de roem
Een verwaande de wapens opneemt,
Laat niet toe dat het onrechtvaardige zwaard
Het kruis van Uw lijden als handvat heeft.
Niech się wypełni dobra wola
Szlachetnych serc, co w klęsce wzrosły,
Przywróć nam chleb z polskiego pola,
Przywróć nam trumny z polskiej sosny.
Laat de goede wil vervuld worden
Van de nobele harten, die groeiden in de nederlaag,
Geef ons terug het brood van de Poolse velden,
Geef ons terug de doodkisten van Poolse den.
Lecz nade wszystko – słowom naszym,
Zmienionym chytrze przez krętaczy,
Jedyność przywróć i prawdziwość:
Niech prawo zawsze prawo znaczy,
A sprawiedliwość – sprawiedliwość.
Maar boven alles – maak onze woorden,
Die listig verdraaid zijn door oplichters,
Eenduidig en waarachtig:
Laat recht altijd recht betekenen,
En gerechtigheid – gerechtigheid.
Dit segment markeert een scherpe wending in het gebed. Waar eerder een positief programma werd geschetst, richt Tuwim zich hier op de vijanden van die nieuwe orde: de machthebbers, de verraders van de taal en de onrechtvaardigheid zelf. De toon wordt confronteerender, de beelden gewelddadiger, en de kernboodschap kristalliseert zich.
Het omverwerpen van de machten
De dichter eist een goddelijk ingrijpen dat de hoogmoed van de machthebbers straft. ‘Sla de domme kroon van het hoofd / Van hen die zich opblazen en dikdoen”: Dit is een aanval op de pseudo-autoriteit. De kroon is ‘dom’, de drager is opgeblazen – hun macht is een lege façade die moet worden afgerukt. “Zet op het bureau van de grommende alleenheerser / Een doodshoofd neer”: Dit is een van de meest iconische beelden. Het memento mori (gedenk te sterven) wordt hier niet als bespiegeling, maar als actieve dreiging ingezet. Het herinnert de tiran aan zijn sterfelijkheid en de onvermijdelijke ineenstorting van zijn macht
Dit is geen oproep tot dialoog, maar tot ontmaskering en vernedering van ongelegitimeerde macht.
De heiligschennis van het onrechtvaardige zwaard
De volgende verzen verbinden politieke kritiek direct met religieuze verontwaardiging. “Laat niet toe dat het onrechtvaardige zwaard / Het kruis van Uw lijden als handvat heeft”. Dit is een aanklacht tegen het gebruik van religie – het symbool van ultieme offer en liefde – als rechtvaardiging voor oorlog en geweld. Tuwim keert zich tegen elke ideologie die het christelijke geloof instrumenteel maakt voor imperialistische, nationalistische of onderdrukkende doelen. Het is een pleidooi voor een zuiver geloof, niet gecorrumpeerd door wereldlijke macht
De terugkeer naar de essentie: brood, doodkisten, en vooral WAARHEID
Na de afbraak volgt de constructie van het ware fundament. “Geef ons terug het brood van de Poolse velden, / Geef ons terug de doodkisten van Poolse den”: Dit is een verlangen naar eenvoud, naar wat echt en vitaal is. Het ‘brood’ staat voor soevereiniteit, zelfvoorziening en leven. De ‘doodkisten van Poolse den’ staan voor een waardige, eigen dood op eigen grond – het herwinnen van de controle over het leven en de dood van de natie. “Maar boven alles…”: Hier bereikt het gedicht zijn morele en intellectuele hoogtepunt. Alle eisen zijn ondergeschikt aan deze ene, allesoverheersende bede: de terugkeer van de waarheid. Bovendien maak onze woorden… eenduidig en waarachtig”: Dit is een diagnose van de tijd. Taal is gecorrumpeerd door “oplichters” (demagogen, propagandisten) en heeft haar band met de werkelijkheid verloren. “Laat recht altijd recht betekenen, / En gerechtigheid – gerechtigheid”: Dit is de oplossing. Het is een pleidooi voor semantische en morele integriteit. In een wereld van leugens en verdraaiingen is de eerste revolutionaire daad het herstellen van de ware betekenis van de grondbeginselen van de samenleving. Zonder deze helderheid zijn alle andere hervormingen zinloos.
Daden boven woorden, zuiverend vuur en de grootheid van het hart
Niech więcej Twego brzmi imienia
W uczynkach ludzi niż w ich pieśni,
Głupcom odejmij dar marzenia,
A sny szlachetnych ucieleśnij.
Laat Uw naam meer klinken
In de daden van mensen dan in hun liederen,
Neem dwazen de gave van dromen af,
En verwezenlijk de dromen van de nobelen.
Spraw, byśmy błogosławić mogli
Pożar, co zniszczył nas dobytek,
Jeśli oczyszczającym ogniem
Będzie dla naszych dusz nadgnitych.
Maak dat wij de brand kunnen zegenen
Die onze bezittingen heeft vernietigd,
Als het een zuiverend vuur blijkt te zijn
Voor onze aangevreten zielen.
Każda niech Polska będzie wielka:
Synom jej ducha czy jej ciała
Daj wielkość serc, gdy będzie wielka,
I wielkość serc, gdy będzie małą.
Laat Polen in elke tijd groot zijn:
Aan haar zonen, van geest of van vlees,
Geef grootheid van hart, wanneer het land groot is,
En grootheid van hart, wanneer het klein is.
Dit segment van Tuwims “Modlitwa” verdiept de morele en spirituele eisen. Het verlegt de aandacht van politieke structuren naar de innerlijke houding van de mens en de natie. De dichter onderzoekt hier de verhouding tussen schijn en wezen, tussen droom en daad, en tussen vernietiging en wedergeboorte.
De toets van het echte leven: daden boven woorden
“Laat Uw naam meer klinken / In de daden van mensen dan in hun liederen”
Deze regel is een radicale kritiek op holle vroomheid en culturele schijn. Tuwim keert zich tegen een geloof of vaderlandsliefde die alleen in liederen, rituelen of mooie woorden bestaat. Ware toewijding aan God – en, in het verlengde daarvan, aan het vaderland – moet blijken uit daden, uit de concrete manier waarop mensen met elkaar omgaan en de samenleving vormgeven. Het is een oproep tot authenticiteit: de naam van God moet geëerd worden door rechtvaardig handelen, niet door vrome gezangen.
“Neem dwazen de gave van dromen af, / En verwezenlijk de dromen van de nobelen.”
Hier maakt Tuwim een scherp onderscheid tussen twee soorten dromers. De dwazen – degenen met grootse idealen maar zonder moreel kompas, degenen die dromen van macht, roem of overheersing – moeten hun droomvermogen verliezen. De nobelen – degenen met een edel hart, degenen die dromen van rechtvaardigheid en goedheid – verdienen dat hun dromen werkelijkheid worden. Het is een gebed om onderscheidingsvermogen en om goddelijk ingrijpen dat de goede droom bevestigt en de kwade droom ontkracht.
De paradox van de zegening: de alchemie van lijden
“Maak dat wij de brand kunnen zegenen / Die onze bezittingen heeft vernietigd, / Als het een zuiverend vuur blijkt te zijn / Voor onze aangevreten zielen.”
Dit is een van de meest indringende en paradoxale passages. De dichter vraagt niet om lijden te voorkomen, maar om de kracht om het te zegenen – maar alleen onder één voorwaarde: dat het een “zuiverend vuur” blijkt te zijn voor de “aangevreten zielen” van de natie.
Deze passage geeft de oorlogservaring een diepe religieuze dimensie. Het verlies van materiële bezittingen wordt relatief; het gaat om de ziel van de natie.
De kern van vaderlandsliefde: grootheid van hart
“Laat Polen in elke tijd groot zijn: / Aan haar zonen, van geest of van vlees, / Geef grootheid van hart, wanneer het land groot is, / En grootheid van hart, wanneer het klein is.”
Hier bereikt Tuwims visie op het vaderland zijn hoogtepunt. Hij definieert ware nationale grootheid niet in termen van territorium, militaire macht of politieke invloed. Grootheid is uitsluitend een kwestie van “grootheid van hart”. “Aan haar zonen, van geest of van vlees”: Dit omvat iedereen – zowel degenen die in Polen wonen (“van vlees”) als degenen die in ballingschap zijn of zich met de Poolse geest verwant voelen (“van geest”). “Wanneer het land groot is… wanneer het klein is”: De grootheid van het hart is onafhankelijk van de omstandigheden. Of Polen nu een machtig koninkrijk is of een bezet, klein land, de enige maatstaf voor zijn waarde is de innerlijke grootheid van zijn mensen.
De geopolitieke positie van Polen: ingeklemd tussen twee werelden
Wtłoczonym między dzicz niemiecką
I nowy naród stu narodów –
Na wschód granicę daj sąsiedzką,
A wieczną przepaść od zachodu.
Aan hen die zijn ingeklemd tussen Duitse barbarij
En het nieuwe volk van honderd volken –
Geef in het oosten een grens met een buur,
En in het westen een eeuwige afgrond.
Dłonie Twe, z których krew się toczy,
Razem z gwoździami wyrwij z krzyża
I zakryj, zakryj nimi oczy,
Gdy się czas zemsty będzie zbliżał.
Uw handen, waaruit bloed vloeit,
Ruk ze samen met de spijkers van het kruis
En bedek, bedek daarmee Uw ogen,
Wanneer de tijd van wraak nadert.
Przyzwól nam złamać Zakon Pański,
Gdy brnąć będziemy do Warszawy
Przez Tatry martwych ciał germańskich,
Przez Bałtyk wrażej krwi szubrawej.
Sta ons toe de Goddelijke Wet te breken,
Wanneer wij naar Warschau waden
Door de Tatra van Duitse lijken,
Door de Oostzee van afschuwelijk vijandelijk bloed.
Dit segment van het gedicht is zonder twijfel het meest duister, gewelddadig en theologische meest complexe. Waar Tuwim eerder bad om morele zuivering, sociale rechtvaardigheid en grootheid van hart, verschuift de toon hier naar een apocalyptische visie op de vijand, de wraak en de spanning tussen goddelijke wet en menselijke vergelding. Het is een passage die schuurt en die de lezer dwingt om de paradoxen van het gedicht onder ogen te zien.
“Aan hen die zijn ingeklemd tussen Duitse barbarij / En het nieuwe volk van honderd volken –”
Tuwim schetst hier de klassieke, tragische geopolitieke positie van Polen: een land dat door de geschiedenis heen steeds weer geklemd heeft gezeten tussen twee machtige buren. De formulering is echter verre van neutraal: Duitse barbarij” is een onverbloemde veroordeling van Duitsland. “Het nieuwe volk van honderd volken” is een complexere aanduiding. Het verwijst naar de Sovjet-Unie, die zich presenteerde als een broederschap van vele nationaliteiten. De term is opvallend neutraal, zelfs beschrijvend, in vergelijking met de openlijke veroordeling van Duitsland.
Het gebed dat volgt, weerspiegelt deze asymmetrie:
“Geef in het oosten een grens met een buur, / En in het westen een eeuwige afgrond.”
Voor het oosten vraagt Tuwim om een normale “grens met een buur” – een verlangen naar een bewoonbare, menselijke verhouding met de oosterbuur. Voor het westen daarentegen eist hij een “eeuwige afgrond”. Dit is geen grens, maar een onoverbrugbare kloof, een absolute scheiding. Het verlangen naar veiligheid wordt hier uitgedrukt in een beeld van totale, kosmische verwijdering van de Duitse vijand.
De verhulling van Gods ogen: een schokkend theologisch beeld
“Uw handen, waaruit bloed vloeit, / Ruk ze samen met de spijkers van het kruis / En bedek, bedek daarmee Uw ogen, / Wanneer de tijd van wraak nadert.”
Dit is misschien wel de meest gewaagde en theologisch ontregelende passage van het hele gedicht. De dichter durft hier God zelf aan te spreken op een manier die grenst aan het onvoorstelbare. “Uw handen, waaruit bloed vloeit”: Dit beeld verbindt het lijden van Christus met de gewonde, bloedende handen van God. Het is alsof God zelf nog steeds wonden draagt van de kruisiging. “Ruk ze samen met de spijkers van het kruis / En bedek, bedek daarmee Uw ogen”: De dichter vraagt God om zijn eigen, nog steeds met spijkers doorboorde handen te gebruiken om zijn ogen te bedekken. Waarom? “Wanneer de tijd van wraak nadert.” De implicatie is huiveringwekkend: de mens gaat iets doen wat God niet mag zien. De daad van wraak – hoe gerechtvaardigd ook – is zo gruwelijk dat zelfs de alwetende God zijn blik moet afwenden. Het is een erkenning dat wraak, hoe onvermijdelijk ook, een daad is die buiten de goddelijke orde valt, een moment waarop de mens alleen moet handelen, zonder goddelijk toezicht.
Het breken van de goddelijke wet: de mens die de wet overtreedt
“Sta ons toe de Goddelijke Wet te breken, / Wanneer wij naar Warschau waden / Door de Tatra van Duitse lijken, / Door de Oostzee van afschuwelijk vijandelijk bloed.”
Hier wordt de spanning tussen ethiek en overleving, tussen geloof en wraak, tot het uiterste doorgevoerd. Sta ons toe de Goddelijke Wet te breken”: Dit is een directe, bijna ongelovige smeekbede. De dichter vraagt toestemming om te zondigen, om het zesde gebod (“Gij zult niet doden”) te overtreden. Het is een erkenning dat de weg naar Warschau, naar de bevrijding en wederopstanding van Polen, misschien alleen geplaveid kan worden met geweld dat ingaat tegen de wet van God. De beelden zijn episch en apocalyptisch: waden… door de Tatra van Duitse lijken”: De Tatra, het hoogste gebergte van Polen, symbool van Poolse schoonheid en trots, wordt hier vervangen door een gebergte van dode Duitse soldaten; door de Oostzee van afschuwelijk vijandelijk bloed”: De Oostzee, de noordgrens van Polen, verandert in een zee van vijandelijk bloed.
Dit zijn beelden van totale, onvoorstelbare overwinning – maar ook van een overwinning die gepaard gaat met een morele prijs die zo hoog is dat de dichter zich gedwongen voelt om God om dispensatie te vragen.
De paradox van dit deel
Wat maakt deze passage zo aangrijpend en tegelijkertijd zo verontrustend? Het is de spanning tussen twee onverenigbare waarheden:
- De morele waarheid: Wraak is verkeerd. Het doden van mensen, hoe gerechtvaardigd ook in oorlogstijd, is een overtreding van de goddelijke wet. De dichter erkent dit door God te vragen zijn ogen te bedekken en door toestemming te vragen om de wet te breken.
- De historische waarheid: De weg naar bevrijding van een genocidale bezetter loopt onvermijdelijk door bloed en lijden. De terugkeer naar Warschau, naar het vrije Polen, is onmogelijk zonder door deze zeeën van vijandelijk bloed te waden.
Tuwim probeert hier geen gemakkelijke synthese te bieden. Hij laat de paradox onopgelost staan. Hij weigert het geweld te verheerlijken, maar weigert ook de noodzaak ervan te ontkennen. In plaats daarvan legt hij de morele last ervan voor God neer, met een openhartigheid die zowel theologisch brutaal als diep menselijk is.
De terugkeer naar de Dodenstad – het zwijgen als oordeel
…A gdy będziemy, w Nekropolu,
Przybliżać się do Twych przedmieści,
Klękniemy kwarantanną w polu,
Nadziei pełni i boleści:
Nadzieją – że nam przyjaciele
Naprzeciw wyjdą z Miasta Krzyżów,
Niosący w oczach przebaczenie
I łzy radości a nie wyrzut.
Boleści – że nam nie pomogą
Te łzy ni łaska, ni witanie…
MILCZĄCE między nami stanie
Zawiążę złowrogą.
..En wanneer wij, in de Dodenstad,
Uw voorsteden naderen,
Zullen wij neerknielen in afzondering op het veld,
Vol hoop en vol leed:
De hoop – dat onze vrienden
Ons tegemoet zullen komen uit de Stad der Kruizen,
Met vergeving in de ogen dragend
En tranen van vreugde en geen verwijt.
Het leed – dat die tranen ons niet zullen helpen,
Noch genade, noch verwelkoming…
ZWIJGENDE tussen ons zal staan
Als een onheilspellend spook.
Na de apocalyptische beelden van wraak en de roep om door een zee van vijandelijk bloed naar Warschau te waden, arriveert het gedicht in een totaal andere sfeer. De toon wordt ingetogen, haast fluisterend. De overwinnaars keren terug, maar er is geen triomf. Er is alleen hoop, leed, en uiteindelijk: een verlammend zwijgen.
De Dodenstad en de Stad der Kruizen
“…En wanneer wij, in de Dodenstad, / Uw voorsteden naderen”
Warschau wordt hier aangeduid met twee namen die het gedicht een bijbelse, haast apocalyptische dimensie geven: “Dodenstad” (Nekropol): Warschau is een stad van de doden geworden. De stad die het centrum was van Pools verzet, cultuur en leven, is na de Opstand van Warschau (1944) systematisch verwoest en ligt in puin. De bevolking is vermoord, verdreven of weggevoerd. De terugkeerders komen niet naar een levende stad, maar naar een kerkhof. “Stad der Kruizen” (Miasto Krzyżów): Dit is een diep religieus en tegelijkertijd tragisch beeld. Warschau wordt gezien als een stad bezaaid met kruizen – de graftekens van de gevallenen, maar ook de symbolen van het lijden van Christus dat zich hier in de massa heeft herhaald. De vrienden die uit deze stad tegemoet komen, dragen de herinnering aan dat lijden met zich mee
De houding van de terugkeerders: nederigheid en afzondering
“Zullen wij neerknielen in afzondering op het veld, / Vol hoop en vol leed”
De overwinnaars, degenen die door de zee van vijandelijk bloed zijn gewaad om Warschau te bevrijden, knielen niet in triomf neer. Ze knielen in afzondering – apart, buiten de stad, als onreinen die zich nog niet bij de gemeenschap mogen voegen. Het is een houding van nederigheid en schaamte.
Ze zijn “vol hoop en vol leed” – een paradoxale mengeling die de essentie van hun toestand vat: de hoop: dat de vrienden in de stad hen zullen erkennen en verwelkomen, het leed: de wetenschap van wat er is gebeurd, de twijfel of verwelkoming wel mogelijk is
De hoop op vergeving
De hoop is zuiver en ontroerend: een verlangen naar een wederopstanding van de gemeenschap. De terugkeerders hopen dat de overlevenden – degenen die de oorlog in Warschau hebben doorstaan, degenen die de puinhopen bewonen – hen zullen tegemoet komen met vergeving in de ogen. Ze hopen op tranen van vreugde, niet van verwijt.
Maar waarom zouden de terugkeerders vergeving nodig hebben? Waarom zouden de overlevenden hen kunnen verwijten?
Deze vraag raakt de kern van het morele drama. De terugkeerders zijn degenen die weg waren – in ballingschap, in het buitenland, veilig voor het ergste geweld. Zij hebben de bezetting, de honger, de opstand en de verwoesting niet aan den lijve meegemaakt. Zij komen terug naar een stad die zij hebben verlaten. En nu keren ze terug als bevrijders, maar ook als degenen die niet hebben geleden. De schuldvraag die hier opdoemt, is die van de emigrant versus de achterblijver, van hen die de dans zijn ontsprongen versus hen die door de hel zijn gegaan.
Het leed: de nutteloosheid van vergeving
“Het leed – dat die tranen ons niet zullen helpen, / Noch genade, noch verwelkoming…”
Dan komt de harde realiteit. Zelfs als de vrienden hen tegemoet komen met tranen van vreugde, met vergeving, met genade – het zal niet helpen. Waarom niet? Omdat de kloof tussen hen die weg waren en hen die bleven, onoverbrugbaar is geworden. De ervaring van de oorlog is zo radicaal, zo ontoegankelijk voor wie haar niet heeft meegemaakt, dat geen enkele emotie, geen enkele daad van vergeving, die kloof kan overbruggen.
Het is een besef van radicale eenzaamheid – niet alleen van de terugkeerders, maar van de hele natie. De oorlog heeft een breuk geslagen die niet te helen is.
Het ZWIJGENDE: het onheilspellende spook
“ZWIJGENDE tussen ons zal staan / Als een onheilspellend spook.”
Het gedicht eindigt met een woord in hoofdletters: ZWIJGENDE. Het is geen persoon, geen ding, maar een toestand die tussen de mensen staat. Dit zwijgen is:
- Het zwijgen van de doden: De miljoenen die niet zijn teruggekeerd, wier afwezigheid tussen de levenden staat.
- Het zwijgen van het onuitsprekelijke: Wat er is gebeurd, kan niet in woorden worden gevangen. Elke poging tot communicatie stuit op de grens van het onzegbare.
- Het zwijgen van het oordeel: Geen verwijt, geen vergeving, geen genade – alleen stilte. En die stilte is “onheilspellend”, omdat ze geen antwoord geeft, geen verlossing biedt, geen gemeenschap herstelt.
Het gedicht eindigt dus niet in triomf, niet in verlossing, niet in hoop. Het eindigt in een apocalyptische stilte – een stilte die de overlevenden en de terugkeerders voor altijd zal scheiden.
Algemene conclusie van het gedicht
Tuwims “Modlitwa (My ludzie skromni, ludzie prości)” is een van de meest complexe en aangrijpende politieke gedichten uit de Poolse literatuur. Het beweegt zich tussen:
- Sociale rechtvaardigheid: De eis van macht aan de werkenden, de afschaffing van woeker, gelijkheid voor God.
- Morele zuivering: De oproep tot het reinigen van het vaderhuis van zonden, het verlangen naar een “zuiverend vuur” voor de aangevreten zielen.
- Nationale identiteit: De definitie van ware grootheid als “grootheid van hart”, onafhankelijk van de omvang van het land.
- Theologische durf: Het vragen aan God om zijn ogen te bedekken tijdens de wraak, het vragen om de goddelijke wet te mogen breken.
- Historisch besef: De erkenning dat de terugkeer naar de verwoeste stad gepaard gaat met een onoverbrugbare kloof tussen hen die weg waren en hen die bleven.
Het gedicht weigert gemakkelijke antwoorden. Het biedt geen verlossend slot, geen triomfantelijke terugkeer, geen helende vergeving. In plaats daarvan eindigt het met een ZWIJGENDE die tussen de mensen staat – een stilte die zowel de afwezigheid van de doden als de onmogelijkheid van ware communicatie tussen de levenden symboliseert.
Dit zwijgen is misschien wel de meest eerlijke en diepzinnige reactie op de catastrofe van de oorlog: de erkenning dat sommige wonden niet geheeld kunnen worden, dat sommige ervaringen niet gedeeld kunnen worden, en dat de overlevenden voor altijd zullen leven in de schaduw van een stilte die niet doorbroken kan worden.





