In ons eerdere artikel over Jeruzalem als gemeenschap van gelovigen, stuiten we onvermijdelijk op een vraag die veel christenen bezighoudt: wat moeten we met de profetieën over een tempel? En waarom hebben sommige gelovigen het over een “derde tempel” die nog gebouwd moet worden in Jeruzalem?
Het antwoord op die vraag hangt sterk samen met hoe je de Bijbel leest. Grofweg zijn er twee manieren:
- De letterlijke leeswijzer: De profetieën over de tempel moeten letterlijk vervuld worden. Er komt dus een derde tempel in Jeruzalem, met offers en een priesterschap, voordat Jezus terugkeert.
- De geestelijke/Christologische leeswijzer: De tempel is in Christus en zijn gemeente vervuld. De “derde tempel” is geen stenen gebouw, maar de gemeenschap van gelovigen, nu al in aanbouw.
Deze twee leeswijzen staan lijnrecht tegenover elkaar. Ze leiden tot totaal verschillende verwachtingen over de toekomst, over Israël, en over de plaats van de kerk. In dit artikel zetten we ze naast elkaar, wegen we de argumenten, en vragen we ons af: wat leert de Bijbel ons zelf over hoe we hem moeten lezen?
De letterlijke leeswijzer – een tempel van steen
Een gebouw dat er nog moet komen
Voor miljoenen christenen wereldwijd is de derde tempel geen curiosum, maar een vaste hoop. Zij geloven dat er, net als in de dagen van Salomo en Herodes, opnieuw een tempel zal verrijzen op de Tempelberg in Jeruzalem. Een gebouw van steen, met een altaar, met offers, met een hogepriester. En dit gebouw zal een cruciale rol spelen in de gebeurtenissen van de eindtijd.
Deze overtuiging is niet nieuw. Ze wortelt in een bepaalde manier van bijbellezen die we vooral vinden in dispensationalistische en evangelicale kringen. Laten we kijken naar de belangrijkste bijbelteksten die zij aanvoeren en naar de logica achter hun lezing.
De bijbelse fundamenten
Voorstanders van een letterlijke derde tempel wijzen op een reeks oud- en nieuwtestamentische teksten die volgens hen niet anders kunnen worden uitgelegd dan als voorspellingen van een toekomstig stenen gebouw.
Daniëls profetieën over een tempel
De profeet Daniël speelt een sleutelrol in deze visie. In Daniël 9:27 staat:
Hij zal een verbond met velen sluiten voor één week, en in de helft van de week zal hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.
Deze “hij” wordt uitgelegd als de antichrist, een toekomstige wereldleider. Hij zal een verbond sluiten met Israël, maar na drieënhalf jaar zijn woord breken en de offers stopzetten. De logica is helder: er kunnen alleen offers worden stopgezet als ze eerst zijn hervat. En offers kunnen alleen worden hervat als er een tempel staat. Dus moet er vóór de komst van de antichrist een tempel zijn gebouwd.
Hetzelfde geldt voor Daniël 11:31:
Zij zullen het dagelijks offer doen ophouden.
Opnieuw: er moet een dagelijks offer zijn om te kunnen worden opgehouden. De conclusie lijkt onontkoombaar: de tempel moet herbouwd worden.
Jezus’ woorden over de gruwel van de verwoesting
In Matteüs 24 verwijst Jezus naar deze profetie uit Daniël:
Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover gesproken is door de profeet Daniël, ziet staan op de heilige plaats – wie dit leest, let erop! – laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen. (Matteüs 24:15-16)
Voorstanders van de letterlijke lezing benadrukken dat Jezus spreekt over een toekomstige gebeurtenis. De “heilige plaats” kan niets anders zijn dan de tempel in Jeruzalem. En de “gruwel van de verwoesting” verwijst naar een afgodsbeeld dat de antichrist in die tempel zal plaatsen. Ook dit veronderstelt dus een dan functionerende tempel.
Paulus over de tempel van God
In 2 Tessalonicenzen 2 schrijft Paulus over de komst van de “mens van wetteloosheid”:
Hij is de tegenstander die zich verheft tegen al wat God heet of heilig is, zozeer dat hij plaatsneemt in de tempel van God en zich voordoet als God. (2 Tessalonicenzen 2:4)
Ook hier, zo redeneren zij, is de meest voor de hand liggende uitleg dat het om een letterlijke tempel in Jeruzalem gaat. Paulus, die Joods was en de tempel van Herodes kende, gebruikt het woord naos (heiligdom) – de meest specifieke aanduiding voor het tempelgebouw zelf. Hij moet dus een toekomstig heiligdom op het oog hebben waarin de antichrist zich zal manifesteren.
Ezechiëls tempelvisioen
Ezechiël 40-48 bevat een uitvoerige beschrijving van een toekomstige tempel, compleet met afmetingen, materialen, offervoorschriften en priesterdiensten. Voorstanders van de letterlijke lezing vragen: waarom zou God zo’n gedetailleerd visioen geven als het nooit letterlijk vervuld zou worden? De tempel van Salomo was eenmalig, de tempel van Herodes was anders. Dit moet dus wijzen op een derde tempel die nog komt, in het messiaanse vrederijk.
De theologie achter deze lezing
Deze letterlijke uitleg van de tempelprofetieën staat niet op zichzelf. Ze is onderdeel van een bredere theologie die vaak dispensationalisme wordt genoemd. De kern daarvan is:
- Israël en de kerk zijn twee aparte volken van God, met verschillende beloften en bestemmingen.
- Gods beloften aan Israël zijn onvoorwaardelijk en letterlijk: land, stad, tempel, koningschap.
- De kerk is een ’tussenstation’: nu God zich tijdelijk op de heidenen richt, maar straks keert Hij terug naar Israël.
- De eindtijd begint met de opname van de gemeente, gevolgd door een zevenjarige verdrukking waarin de antichrist regeert, de tempel wordt herbouwd, en uiteindelijk Christus terugkeert om zijn aardse koninkrijk op te richten met Jeruzalem als hoofdstad.
In deze visie is de derde tempel geen optioneel detail, maar een noodzakelijk eindtijdsignaal. Zonder tempel geen offers. Zonder offers geen stopzetting daarvan door de antichrist. Zonder stopzetting geen gruwel van de verwoesting. Zonder gruwel geen terugkeer van Christus. De herbouw van de tempel is dus een onmisbare schakel in Gods tijdschema.
Wat dit betekent voor vandaag
Voor christenen die deze visie aanhangen, krijgen de politieke ontwikkelingen in Jeruzalem een directe theologische betekenis. Elke Israëlische overwinning, elke verschuiving op de Tempelberg, wordt gezien als een stap dichter bij de onvermijdelijke herbouw van de tempel.
Sommigen steunen daarom actief organisaties die zich voorbereiden op de tempelbouw, zoals het Tempelinstituut in Jeruzalem. Dit instituut heeft al priestergewaden laten maken, heilige voorwerpen vervaardigd, en probeert een geschikte rode koe te fokken voor de reinigingsrituelen die nodig zijn voordat de tempel in gebruik kan worden genomen.
Anderen zien de herbouw van de tempel vooral als een gebedspunt. Ze bidden voor vrede in Jeruzalem, maar ook voor de dag dat de tempel er weer zal staan en Jezus kan terugkeren.
Een eerste spanning
Nu al is duidelijk waar de spanning met de andere leeswijzer zal liggen. In deze letterlijke benadering is de tempel een gebouw dat nog moet komen. In de geestelijke lezing is de tempel een gemeenschap die er al is. De een kijkt naar Jeruzalem, de ander naar de kerk. De een verwacht herstelde offers, de ander wijst op het volbrachte offer van Christus.
In het volgende deel zet ik die andere leeswijzer uiteen.
De geestelijke leeswijzer – Jezus is de tempel
Een andere manier van lezen
Waar de letterlijke leeswijzer uitgaat van een toekomstig stenen gebouw in Jeruzalem, begint de geestelijke leeswijzer op een heel ander punt: bij Jezus zelf. Voor deze lezing is de komst van Christus niet zomaar een gebeurtenis in de geschiedenis, maar de vervulling en daarmee de vervanging van alles wat in het Oude Testament voorlopig en vooruitwijzend was. Dat geldt voor de wet, voor het priesterschap, voor de offers – en ook voor de tempel.
Deze manier van lezen vinden we al bij de eerste christenen. Zij durfden, op gezag van Jezus zelf en onder leiding van de Geest, conclusies te trekken die voor buitenstaanders onbegrijpelijk waren. De tempel was voor hen niet langer een gebouw in Jeruzalem, maar een werkelijkheid die in Christus en zijn gemeente was komen wonen.
Jezus: de tempel in eigen persoon
Het fundament van de geestelijke leeswijzer ligt in de woorden en daden van Jezus zelf. Al vroeg in zijn optreden gebeurt er iets opmerkelijks. Hij jaagt de handelaren uit de tempel en zegt:
Neem dit alles hier weg, maak niet van het huis van mijn Vader een huis van koophandel. (Johannes 2:16)
De Joden reageren verontwaardigd: “Welk teken laat U ons zien, dat U dit doen mag?” (Johannes 2:18). En dan komt Jezus’ antwoord, dat alles zal veranderen
Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen. (Johannes 2:19)
De omstanders begrijpen hem letterlijk. Ze wijzen naar het bouwwerk van Herodes, waar al 46 jaar aan wordt gebouwd. Maar Johannes geeft de sleutel voor het juiste verstaan:
Hij sprak over de tempel van zijn lichaam. (Johannes 2:21)
Jezus is dus zelf de tempel. In Hem woont God volledig en zichtbaar. Hij is de plaats waar hemel en aarde elkaar raken. Hij is het heiligdom waar God te vinden is. Wie hem ziet, ziet de Vader (Johannes 14:9). Wie in hem gelooft, heeft toegang tot Gods tegenwoordigheid.
Deze claim is adembenemend. Jezus stelt zichzelf in de plaats van het meest heilige gebouw dat er bestond. De tempel was het hart van Israëls religie, de plek van Gods naam, het centrum van verzoening en aanbidding. Jezus zegt: dat alles ben Ik nu.
Stefanus: de eerste breuk met de tempel
Na Jezus’ hemelvaart duurt het niet lang voordat de eerste christenen de consequenties van deze tempelvervulling gaan trekken. Stefanus, een van de zeven diakenen, wordt ervan beschuldigd dat hij zou hebben gesproken tegen de tempel en de wet. In zijn verdediging voor de Joodse Raad (Handelingen 7) houdt hij een lange rede die uitloopt op een radicaal statement:
De Allerhoogste woont niet in tempels met handen gemaakt, zoals de profeet zegt: De hemel is mijn troon en de aarde de voetbank voor mijn voeten. Wat voor huis zou je voor mij kunnen bouwen? zegt de Heer, of wat is de plaats van mijn rust? Heeft mijn hand niet dit alles gemaakt? (Handelingen 7:48-50)
Stefanus citeert hier Jesaja 66, maar past het toe op de tempel van zijn dagen. Hij zegt niet: de tempel is onbelangrijk. Hij zegt iets fundamentelers: God laat zich niet vastpinnen op een gebouw. Hij is altijd al groter geweest dan welke tempel ook. Maar nu, met de komst van Jezus en de Geest, is die waarheid op een nieuwe manier werkelijkheid geworden. De steniging van Stefanus laat zien hoe bedreigend deze boodschap was voor hen die de tempel als het onvervangbare centrum van hun geloof zagen.
Paulus: de gemeente als tempel
Paulus neemt deze lijn over en werkt haar verder uit. Voor hem is de tempel niet langer een gebouw in Jeruzalem, maar de gemeenschap van gelovigen zelf. In 1 Korintiërs 3 schrijft hij aan een gemeente die verdeeld is over leiders:
Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont? Als iemand Gods tempel te gronde richt, zal God hem te gronde richten. Want Gods tempel is heilig, en die tempel bent u. (1 Korintiërs 3:16-17)
Let op het meervoud: “u” is in het Grieks meervoud. Paulus zegt niet: jij individueel bent een tempel (hoewel dat later in 1 Korintiërs 6:19 ook aan bod komt). Hij zegt: jullie samen zijn de tempel. De gemeente in Korinte, met al haar problemen en verdeeldheid, is de plaats waar God woont. Niet omdat ze zo heilig zijn, maar omdat Gods Geest in hen is.
In 2 Korintiërs 6:16 herhaalt hij dit met een oudtestamentisch citaat:
U bent de tempel van de levende God, zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen en onder hen wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.
De tempel is dus niet langer een gebouw dat je bezoekt, maar een gemeenschap die je bent. De heilige plaats is niet langer Jeruzalem, maar de plek waar gelovigen samenkomen. De aanbidding is niet langer gebonden aan een altaar, maar aan het leven van alledag.
Efeziërs: opgebouwd tot een tempel
In Efeziërs 2 werkt Paulus dit beeld nog verder uit. Hij beschrijft hoe heidenchristenen vroeger buitensloten waren, maar nu zijn “medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God”. En dan komt het:
U bent gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Christus Jezus zelf als hoeksteen. In Hem groeit het hele gebouw, goed in elkaar passend, uit tot een tempel, heilig voor de Heer. In Hem wordt ook u samen met anderen opgebouwd tot een woning van God, in de Geest. (Efeziërs 2:20-22)
Het beeld is prachtig. De tempel is in aanbouw. Elke gelovige is een steen. De apostelen en profeten vormen het fundament. Christus is de hoeksteen, die het geheel bij elkaar houdt. En het geheel groeit – het is levend, dynamisch, onderweg – naar een tempel waar God woont.
Deze tempel is niet het exclusieve bezit van één volk. Joden en heidenen worden er samen in verwerkt. De muur van vijandschap is afgebroken. Er is één nieuwe mens, één gebouw, één tempel.
Hebreeën: het offer is volbracht
De brief aan de Hebreeën is misschien wel het meest radicale nieuwtestamentische geschrift als het gaat om de vervanging van de tempel. De hele brief is één lang betoog dat Jezus de hogepriester is van een nieuw en beter verbond, en dat zijn offer het oude offer eens en voor altijd heeft afgeschaft.
Hij hoeft niet, zoals de hogepriesters, dagelijks offers te brengen, eerst voor zijn eigen zonden en dan voor die van het volk. Want dat heeft Hij eens voor altijd gedaan toen Hij zichzelf als offer bracht. (Hebreeën 7:27)
Niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed is Hij voor eens en altijd het heiligdom binnengegaan, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf. (Hebreeën 9:12)
De consequentie is helder: een terugkeer naar de oude offers zou een ontkenning zijn van de volkomenheid van Christus’ offer. Het zou betekenen dat zijn werk niet genoeg was. Het zou, in de krachtige taal van Hebreeën 6:6, neerkomen op het “opnieuw kruisigen” van de Zoon van God.
Daarom kan er voor de schrijver van Hebreeën geen sprake zijn van een nieuwe stenen tempel met hernieuwde offers. Die tijd is voorgoed voorbij. Het ware heiligdom is in de hemel, waar Christus voor ons verschijnt (Hebreeën 9:24).
Openbaring: de tempel is overbodig
Het laatste bijbelboek brengt deze lijn tot haar voltooiing. In Openbaring 21 krijgt Johannes een visioen van het nieuwe Jeruzalem, de stad waar God voor altijd bij mensen woont. En dan staat er een opmerkelijke zin:
Een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam. (Openbaring 21:22)
In de volmaakte stad is geen apart heiligdom meer nodig. Niet omdat de tempel is afgeschaft, maar omdat de hele stad tempel is geworden. Gods aanwezigheid vult alles. Er is geen scheiding meer tussen heilig en gewoon, tussen binnen en buiten. Het Lam is het middelpunt, en zijn licht vervangt zon en maan.
De derde tempel is er dus al. Het is de gemeenschap van verlosten, in eeuwige gemeenschap met God. Geen stenen gebouw in Jeruzalem, maar een stad van levende stenen, waarin God zelf woont.
Wat dit betekent voor vandaag
Voor wie deze geestelijke leeswijzer volgt, verschuift de aandacht radicaal. De vraag is niet meer: wanneer wordt de tempel in Jeruzalem herbouwd? De vraag is: hoe worden wij, als levende stenen, opgebouwd tot een tempel waar God woont?
Dat heeft consequenties:
- Geen reis naar Jeruzalem is heiliger dan een kerkdienst thuis. De plaats is niet beslissend; de gemeenschap wel.
- Geen steun aan tempelbouwprojecten. Niet uit onverschilligheid voor Israël, maar omdat de tempel er al is: de gemeente van Christus.
- Een nieuwe kijk op aanbidding. Aanbidding is niet gebonden aan een heilige plaats, maar gebeurt “in Geest en waarheid” (Johannes 4:23-24), overal en altijd.
- Een andere verwachting van de toekomst. Niet een aardse tempel in een hersteld Israël, maar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarin God alles in allen is.
Twee werelden
We staan nu met beide benen in de spanning die de titel van dit artikel aankondigt. Aan de ene kant: een visioen van een toekomstig stenen gebouw, met offers en priesterschap, als vervulling van oudtestamentische profetieën. Aan de andere kant: de overtuiging dat Christus en zijn gemeente de vervulling zijn, en dat een terugkeer naar stenen tempel en offers een stap terug zou betekenen.
Twee leeswijzen. Twee werelden. In het volgende deel zetten we ze puntsgewijs tegenover elkaar.
Twee manieren van kijken
We hebben nu twee leeswijzen gezien die diametraal tegenover elkaar staan. De één verwacht een toekomstig stenen gebouw in Jeruzalem, met herstelde offers en een hernieuwd priesterschap. De ander ziet in Jezus en zijn gemeente de definitieve vervulling van alles waar de tempel ooit naar verwees.
Deze twee visies zijn niet zomaar verschillende accenten binnen één brede christelijke traditie. Ze wortelen in een fundamenteel verschillende manier van bijbellezen en leiden tot totaal verschillende verwachtingen over de toekomst, over Israël, en over de plaats van de kerk.
Laten we ze punt voor punt naast elkaar zetten.
Vergelijkingstabel: de twee leeswijzen
| Thema | Letterlijke leeswijzer | Geestelijke leeswijzer |
|---|---|---|
| Tempel | Een toekomstig stenen gebouw in Jeruzalem, te bouwen op de Tempelberg. | Jezus Christus is de tempel; zijn gemeente wordt als ‘levende stenen’ opgebouwd tot een geestelijk huis. |
| Offers | Worden hervat in de eindtijd. Het dagelijks offer zal functioneren totdat de antichrist het stopzet. | Jezus’ offer is eenmalig en volkomen (Hebreeën 7:27, 9:12). Hervatting van offers zou het werk van Christus ontkennen. |
| Priesterschap | Een hersteld Levitisch priesterschap, met hogepriester en tempeldienst. | Alle gelovigen zijn priesters (1 Petrus 2:5,9), die geestelijke offers brengen. Het enige hogepriesterschap is dat van Christus. |
| Daniël 9:27 | De antichrist zal een verbond sluiten met Israël en halverwege de verdrukking de offers stopzetten. Dit veronderstelt een functionerende tempel. | Deze profetie is (mede) vervuld in de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. door Romeinse legerleiders. De “hij” kan ook op een andere figuur slaan. |
| Daniël 11:31 | Het dagelijks offer wordt door de antichrist stopgezet; dus er moet eerst een offer zijn. | Opnieuw: deze tekst kan verwijzen naar de verwoesting van de tempel door Antiochus Epifanes (2e eeuw v.Chr.) of de Romeinen. |
| Matteüs 24:15 | Jezus verwijst naar een toekomstige “gruwel van de verwoesting” op een “heilige plaats” – een dan functionerende tempel. | Jezus waarschuwt voor de aanstaande verwoesting van Jeruzalem (70 n.Chr.), die binnen een generatie zou plaatsvinden (Matteüs 24:34). |
| 2 Tessalonicenzen 2:4 | De “mens van wetteloosheid” zal plaatsnemen in een letterlijke tempel in Jeruzalem en zich god noemen. | De “tempel van God” kan metaforisch zijn voor de gemeente, of voor de aanspraak van de antichrist op goddelijke status, zonder dat er een stenen gebouw aan te pas komt. |
| Ezechiël 40-48 | Dit gedetailleerde tempelvisioen moet letterlijk vervuld worden in het toekomstige messiaanse rijk. | Deze hoofdstukken symboliseren de volmaakte gemeenschap met God; de maten en getallen wijzen op geestelijke werkelijkheden, niet op een letterlijk bouwwerk. |
| Openbaring 11:1-2 | Johannes krijgt een meetsrof om de tempel te meten; dat wijst op een toekomstige tempel. | Dit kan symbolisch zijn: de tempel staat voor de gelovige gemeenschap die bewaard wordt, terwijl de “buitenste voorhof” staat voor hen die buiten vallen. |
| Openbaring 21:22 | Geen tempel in het nieuwe Jeruzalem – maar dat is pas in de eeuwigheid; daarvóór is er eerst een duizendjarig rijk met een tempel. | Juist: de tempel is overbodig omdat God en het Lam alles vullen. Waarom zou er dan eerst nog een tijdelijke tempel moeten komen? |
| Israël | Israël en de kerk zijn twee aparte volken met een verschillende bestemming. De tempel hoort bij Israëls aardse toekomst. | Er is één volk van God, samengesteld uit Joden en heidenen die in Jezus geloven. Zij samen zijn de tempel. |
| De kerk | De kerk is een ’tussenstation’ in Gods plan; zij wordt voor de verdrukking opgenomen naar de hemel. | De kerk is nú al de tempel, en zal dat blijven tot de voltooiing in het nieuwe Jeruzalem. |
| Eindtijd | De tempelbouw is een noodzakelijk signaal voor de eindtijd. Zonder tempel geen verdrukking, zonder verdrukking geen wederkomst. | De eindtijd breekt aan wanneer God bepaalt, niet wanneer mensen een tempel bouwen. Het teken is niet een gebouw, maar de verkondiging van het evangelie aan alle volken (Matteüs 24:14). |
| Jeruzalem | De aardse stad Jeruzalem blijft centrum van Gods handelen. De tempel zal daar herbouwd worden. | Het hemelse Jeruzalem is de stad waar het om gaat. Het aardse Jeruzalem is niet onbelangrijk, maar wijst voorbij aan zichzelf. |
De kern van de spanning
Wat uit deze vergelijking blijkt, is dat de twee leeswijzen niet alleen verschillen in hun uitleg van losse teksten, maar in hun fundamentele hermeneutiek – de manier waarop ze de Bijbel als geheel lezen.
| Letterlijke leeswijzer | Geestelijke leeswijzer |
|---|---|
| Leest het Oude Testament als een reeks letterlijke voorspellingen die nog vervuld moeten worden. | Leest het Oude Testament als voorafschaduwing die in Christus is vervuld en vervangen. |
| Ziet een breuk tussen Israël en de kerk. | Ziet een voortzetting: de kerk is ingeënt in Israël. |
| Verwacht een aardse vervulling van aardse beloften. | Verwacht dat aardse beloften hun uiteindelijke vervulling vinden in een nieuwe hemel en nieuwe aarde. |
| Heeft een toekomstbeeld met twee fases: een aardrijk (met tempel) en daarna de eeuwigheid. | Heeft een toekomstbeeld waarin de nieuwe scheiding direct na Christus’ terugkeer aanbreekt; een apart duizendjarig rijk met tempel is niet nodig. |
Twee voorbeelden van verschillende uitleg
Om het verschil concreet te maken, is het goed om twee sleutelteksten te bekijken zoals beide leeswijzen ze uitleggen.
Voorbeeld 1: Daniël 9:27
Hij zal een verbond met velen sluiten voor één week, en in de helft van de week zal hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.
- Letterlijke lezing: Dit slaat op de antichrist in de eindtijd. Hij sluit een verbond met Israël, maar verbreekt het na 3,5 jaar. Hij stopt de offers, die dan dus hervat moeten zijn. De tempel moet er dus staan.
- Geestelijke lezing: Deze profetie kan op meerdere manieren worden verstaan. Veel uitleggers zien er een verwijzing in naar de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. De “hij” kan ook op de Romeinse veldheer Titus slaan. Bovendien is de tijdrekening van Daniël symbolisch te verstaan. De nadruk ligt niet op een letterlijk gebouw, maar op het feit dat God de geschiedenis bestuurt.
Voorbeeld 2: 2 Tessalonicenzen 2:4
Hij is de tegenstander die zich verheft tegen al wat God heet of heilig is, zozeer dat hij plaatsneemt in de tempel van God en zich voordoet als God.
- Letterlijke lezing: Dit wijst op een toekomstige antichrist die zich in een herbouwde tempel in Jeruzalem zal zetten. De tempel moet er dus eerst zijn.
- Geestelijke lezing: Het woord “tempel” (naos) kan ook metaforisch worden gebruikt. Paulus kan bedoelen dat de antichrist zich zal voordoen alsof hij goddelijke status heeft, zonder dat daar een letterlijk gebouw aan te pas komt. Bovendien was de tempel in Jeruzalem in Paulus’ dagen nog gewoon in functie; hij kan dus ook naar die tempel verwijzen als het toneel van een toen al dreigende of geestelijke gruwel.
Een breder perspectief: hoe lezen we de Bijbel?
Uiteindelijk gaat de spanning tussen deze twee leeswijzen over een nog fundamentelere vraag: hoe lezen we de Bijbel? Is het de bedoeling dat we elk detail van profetieën letterlijk nemen en als een bouwplan voor de toekomst gebruiken? Of moeten we de Schrift lezen vanuit haar centrum – Jezus Christus – en van daaruit verstaan wat tijdelijk en wat blijvend is?
De schrijver van Hebreeën geeft hier een aanwijzing. Hij zegt dat de wet “slechts een schaduw is van de goede dingen die komen zouden, niet het wezen van de dingen zelf” (Hebreeën 10:1). Een schaduw wijst voorbij aan zichzelf. Je blijft niet naar de schaduw kijken; je kijkt naar wat de schaduw werpt.
Voor de tempel geldt hetzelfde. De tempel was een schaduw. Het wezen, de werkelijkheid zelf, is Christus. Wie blijft staren naar de schaduw – en roept dat de schaduw opnieuw op de muur moet verschijnen – heeft misschien nog niet goed begrepen dat de zon inmiddels is opgegaan.
Wat staat er op het spel?
Deze twee leeswijzen zijn geen onschuldig theologisch meningsverschil. Ze hebben verstrekkende gevolgen:
- Voor de verhouding tot het Jodendom: De ene visie kan leiden tot actieve steun aan tempelbouwprojecten, met alle politieke en religieuze spanningen van dien. De andere visie zoekt de relatie met Joden op een andere manier, namelijk in erkenning van de Joodse wortels van het geloof, maar zonder politieke claims op de Tempelberg.
- Voor de verwachting van de toekomst: De ene visie ziet gespannen uit naar tekenen in Jeruzalem en het Midden-Oosten. De andere visie verwacht de voltooiing van Gods plan op een manier die alle aardse scenario’s overstijgt.
- Voor het leven van de gemeente: De ene visie richt de aandacht op een gebouw dat nog komen moet. De andere visie richt de aandacht op de gemeente die nu al tempel is, met de roeping om heilig te leven en God te vertegenwoordigen.
Conclusie: een onoplosbare spanning?
De spanning tussen deze twee leeswijzen zal niet snel verdwijnen. Ze wortelen in verschillende theologische tradities, verschillende manieren van bijbellezen, en verschillende verwachtingen van de toekomst.
Toch is er één vraag die beide leeswijzen zich moeten laten welgevallen: waar woont God nu? Zeg je: God woont nog niet volledig op aarde; we wachten op een tempel in Jeruzalem? Of: Zeg je: God woont nu al, door zijn Geest, in de gemeente van Jezus Christus, en wij zijn die tempel?
Het antwoord op die vraag bepaalt niet alleen hoe je naar de toekomst kijkt, maar ook hoe je vandaag leeft.
Of je nu een letterlijke of geestelijke leeswijzer aanhangt, één ding is zeker: er is een tempel die blijft. Petrus noemt ons “levende stenen” die worden opgebouwd tot een geestelijk huis. Paulus zegt dat we “samen worden opgebouwd tot een woning van God, in de Geest”. En Johannes ziet aan het einde een stad waarin geen tempel meer is, omdat God en het Lam zelf de tempel zijn.
De derde tempel is er al. Hij is in aanbouw. Jij bent er onderdeel van.
Laten we dan zo leven, als levende stenen in de tempel van de levende God. Laten we heilig zijn, omdat Hij heilig is. Laten we één zijn, omdat Hij één is. En laten we uitzien naar de dag waarop de stad uit de hemel neerdaalt en God voor altijd bij ons woont.
Maranatha. Kom, Heer Jezus.





