Te midden van de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog voltrok zich een wonder van menselijke solidariteit. Meer dan 116.000 Poolse burgers, merendeels katholiek, vonden na een nachtmerrieachtige reis door Siberië een onverwachte toevlucht in het verre, islamitische Iran. Voor duizenden weeskinderen werd de historische stad Isfahan een symbool van hoop, een plek waar geloof hen redde en waar kerken konden verrijzen te midden van moskeeën. Dit is het vergeten verhaal van ‘De Kinderen van Isfahan’
Wat is Isfahan?
Voordat we verdergaan, eerst een korte toelichting bij de stad die centraal staat in dit verhaal:
Isfahan (Perzisch: اصفهان) is een stad in centraal Iran en wordt algemeen beschouwd als een van de mooiste steden ter wereld. In de 17e eeuw was het de hoofdstad van het Perzische Rijk onder sjah Abbas de Grote. De stad staat bekend om haar verbluffende islamitische architectuur, met iconische plekken als het Naghsh-e Jahan-plein (een UNESCO Werelderfgoedlocatie) en de prachtige moskeeën met blauwe koepels. In Iran is het spreekwoord “Isfahan nesf-e jahan” (Isfahan is de helft van de wereld) beroemd, waarmee wordt aangegeven dat de stad de helft van alle schoonheid ter wereld bevat. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd deze stad echter tijdelijk een toevluchtsoord voor duizenden katholieke Poolse kinderen, die er hun gebroken levens weer probeerden op te bouwen.
De weg naar Isfahan: Van Polen naar Siberië
Een dubbele invasie
Het verhaal van de Poolse katholieke vluchtelingen in Iran begint niet in het Midden-Oosten, maar in het Polen van september 1939. Wie vandaag het schilderachtige Isfahan bezoekt met zijn blauwe moskeeën en Perzische tuinen, zou nooit vermoeden dat dit ooit de redding werd voor duizenden kinderen die de hel van Siberië hadden overleefd.
Op 1 september 1939 viel nazi-Duitsland Polen binnen vanuit het westen. Zestien dagen later, op 17 september, viel de Sovjet-Unie Polen binnen vanuit het oosten – een messensteek in de rug, zoals de Polen het zelf noemden. De twee totalitaire regimes hadden elkaar in het geheim het land verdeeld via het Molotov-Ribbentroppact. Voor de burgers in de oostelijke provincies – de zogenaamde Kresy (grensgebieden), nu delen van Oekraïne, Wit-Rusland en Litouwen – begon een nachtmerrie die jaren zou duren.
De deportaties naar de goelag
Voor de Sovjet-Unie waren de Polen in deze gebieden niet welkom. Ze werden beschouwd als ‘klassevijanden’: landeigenaren, militairen, politieagenten, rechters, ondernemers, maar ook gewone boeren, ambtenaren en hun families. Iedereen die een bedreiging kon vormen voor de Sovjetisering van de regio moest verdwijnen.
Tussen februari 1940 en juni 1941 vonden er vier massale deportatiegolven plaats. Hele gezinnen – mannen, vrouwen, kinderen, baby’s en bejaarden – werden in de nacht uit hun huizen gehaald. Ze kregen vaak slechts enkele minuten de tijd om een handvol bezittingen te pakken. Daarna werden ze samengeperst in veewagons – zogenaamde tieploesjka’s – en per trein het onbekende oosten ingestuurd.
De reis duurde weken, soms maanden. De wagons waren niet verwarmd, er was geen sanitair, en voedsel en water waren schaars. Velen stierven onderweg door de kou, ziekte of uitputting. De overlevenden kwamen aan in een wereld die ze zich niet hadden kunnen voorstellen: de werkkampen van Siberië en Kazachstan.
Leven in de goelag
Wat de deporteerden aantroffen, was een landschap van ijzige kou, eindeloze bossen en moerassen. Temperaturen daalden tot ver onder de -40 graden Celsius. De gevangenen werden gedwongen te werken in de bosbouw, landbouw en mijnbouw. Ze hieuwen bomen, bouwden wegen en werkten in steengroeven – vaak met primitief gereedschap en onvoldoende kleding.
Honger was de grootste vijand. Het dagelijkse rantsoen bestond uit een dun stuk brood en een kom waterige soep. Velen overleefden dankzij de zogenaamde posjolk – kleine hulpnetwerken binnen de kampen, waar gevangenen hun laatste bezittingen ruilden voor voedsel. Moeders gaven hun eigen rantsoen aan hun kinderen en stierven zelf van de honger. Oudere kinderen zorgden voor jongere broertjes en zusjes nadat hun ouders waren bezweken.
Het geloof, dat in het officieel atheïstische Sovjetsysteem streng verboden was, werd in het geheim beoefend. Mensen baden in het donker, fluisterden hun gebeden en doopten hun pasgeborenen in het geheim met een beetje water. Het was een misdaad die bestraft kon worden met extra dwangarbeid, maar voor velen was het de enige houvast.
De ommekeer: ‘Amnestie’ en het leger van generaal Anders
Op 22 juni 1941 veranderde alles. Nazi-Duitsland viel de Sovjet-Unie binnen – Operatie Barbarossa. Stalin, die nu geallieerd was met de westerse mogendheden, had plotseling de Polen nodig. Onder druk van de Britten stemde hij in juli 1941 in met een ‘amnestie’ voor de gedeporteerde Poolse burgers. Tienduizenden werden vrijgelaten uit de goelags.
Maar wat betekende vrijheid? Ze waren nog steeds duizenden kilometers van hun thuisland. Ze hadden geen geld, geen onderdak en geen werk. Velen waren zo verzwakt dat ze amper konden lopen.
Generaal Władysław Anders, zelf een voormalige gevangene in de Lubjanka-gevangenis in Moskou, kreeg de taak om uit deze uitgemergelde mensen een nieuw Pools leger te vormen. Het zou een van de meest onwaarschijnlijke militaire eenheden van de Tweede Wereldoorlog worden: soldaten die slechts 40 kilo wogen, met kinderen die honger leden op hun armen. Vrouwen en kinderen werden niet aan het front ingezet, maar moesten evacueren naar een veiliger oord.
De lange tocht naar het zuiden
Het plan was om het leger en de burgerbevolking naar het zuiden te verplaatsen, via de Kaspische Zee naar Iran. Iran was neutraal, maar stond onder gezamenlijke Britse en Sovjet-bezetting en bood een veilige haven voor de geallieerden.
De reis was episch en verschrikkelijk tegelijk. Tienduizenden Polen verzamelden zich in de Sovjet-havenstad Krasnovodsk (nu Türkmenbaşy, Turkmenistan). Daar wachtten ze op veerboten die hen over de Kaspische Zee zouden brengen. De schepen waren overvol. Mensen stonden op elkaar gepakt op dekken, in ruimen en in gangen. Ziekten zoals tyfus en dysenterie braken uit.
Toen de eerste boten eindelijk de Iraanse kust bereikten, in de havenstad Pahlavi (het huidige Bandar-e Anzali), zagen de Polen een land dat hun redding zou worden. Het was een vreemd land – heet, stoffig, met een taal die ze niet begrepen en een islamitische religie die ze niet kenden. Maar het was ook het land dat hen de hand reikte.
Een nieuwe start, maar geen thuis
Tussen maart en september 1942 arriveerden in totaal ongeveer 116.000 Poolse burgers in Iran. Ze waren uitgeput, ondervoed en diep getraumatiseerd. Tienduizenden hadden de reis niet overleefd. Hun lichamen bleven achter in de Siberische permafrost, in massagraven langs de spoorlijnen of op de bodem van de Kaspische Zee.
Maar de overlevenden – onder wie duizenden weeskinderen – waren in Iran. Vanuit de haven werden ze verspreid over verschillende opvangkampen. De meesten kwamen terecht in en rond de stad Isfahan, die al snel de bijnaam ‘de stad van de Poolse kinderen’ kreeg.
Het was het einde van een verschrikkelijke reis. Maar het was ook het begin van een nieuw hoofdstuk: een hoofdstuk van herstel, geloof en een onverwachte gastvrijheid in het hart van het Perzische rijk.
Aankomst in een vreemd, gastvrij land
Een eerste aanblik van Perzië
Stel u voor: u komt uit Siberië, waar de grond bevroren is en de lucht snijdt als glas. Wekenlang heeft u in een overvolle boot op de Kaspische Zee doorgebracht, misselijk, hongerig en bang. En dan, plotseling, ziet u land. Geen besneeuwde bossen, geen kale steppe – maar een groene kuststrook, palmbomen, en bergen die oprijzen in de warme, vochtige lucht.
Dat was de eerste aanblik van Iran voor de Poolse vluchtelingen die in 1942 aankwamen in de havenstad Pahlavi (het huidige Bandar-e Anzali). Voor velen was het een cultuurshock. De geuren, de kleuren, de warmte – alles was anders. Kinderen die nooit eerder een kameel hadden gezien, staarden met grote ogen naar de vreemde dieren op de kades.
Een land in bezetting, maar met een open hart
Wat de Polen niet wisten, was dat Iran zelf in zwaar weer verkeerde. In augustus 1941 – slechts een jaar eerder – hadden Britse en Sovjet-troepen Iran binnengevallen. De reden was strategisch: Iran had een cruciale corridor voor de aanvoer van wapens en voorraden naar de Sovjet-Unie. De jonge sjah, Reza Pahlavi, werd gedwongen af te treden en ging in ballingschap. Zijn zoon, Mohammad Reza Pahlavi, nam de troon over. Het land was bezet, de economie lag stil, en er was een groot tekort aan voedsel en medicijnen.
Ondanks deze eigen moeilijkheden openden de Iraniërs hun grenzen voor de Polen. Waarom? Er waren verschillende redenen. Deels was het praktisch: de geallieerden oefenden druk uit op Iran om mee te werken. Maar deels was het ook menselijk: de Iraniërs zagen de uitgeputte vrouwen en kinderen, hoorden hun verhalen over de goelags, en voelden medelijden. Perzische gastvrijheid – mehmān-navāzi – is geen lege frase in Iran. Het is een diepgewortelde culturele waarde.
Bovendien waren er historische banden. Polen en Perzië waren geen vreemden van elkaar. Eeuwen eerder hadden Poolse koningen diplomatieke relaties onderhouden met de Safavidische sjahs. En in de 19e eeuw hadden veel Poolse officieren en intellectuelen hun toevlucht gezocht in Perzië na mislukte opstanden tegen het Russische tsarenrijk. Die herinnering leefde voort.
De eerste kampen: tenten, modder en hoop
De omstandigheden in de eerste weken waren primitief. De Britse en Iraanse autoriteiten hadden niet gerekend op een toestroom van meer dan honderdduizend vluchtelingen. De Polen werden ondergebracht in tentenkampen langs de kust, in verlaten fabrieksgebouwen, of gewoon in de open lucht.
Het regende veel in de winter aan de Kaspische Zee. De tenten lekten. De modder was diep. Ziekten braken uit: tyfus, dysenterie, malaria. Er was een chronisch tekort aan medicijnen. Ondanks de inspanningen van Poolse artsen (zelf vaak niet meer dan half herstelde ex-gevangenen) stierven er nog dagelijks mensen – vooral jonge kinderen en ouderen, die het zwaarst hadden geleden in Siberië.
Maar er was ook hoop. Voor het eerst in jaren waren de Polen vrij. Geen bewakers, geen dwangarbeid, geen doodsangst voor een nachtelijke arrestatie. Ze mochten weer in hun eigen taal spreken, zonder te fluisteren. Ze mochten weer bidden, zonder bang te zijn voor straf. En er was eten – niet veel, maar meer dan in de goelag. De Iraanse bevolking bracht brood, fruit en melk naar de kampen. Vrouwen deelden kleding uit. Kinderen kregen speelgoed.
Isfaan wordt het hart van Polen-in-ballingschap
Al snel werd duidelijk dat de kampen aan de kust niet geschikt waren voor een langdurig verblijf. De zomerse hitte maakte de kuststreek onleefbaar, en de logistiek was moeilijk. De geallieerden besloten de Polen te verspreiden over het hele land, met verschillende centra in Teheran, Ahvaz, Mashhad en – het belangrijkste – Isfahan.
Waarom Isfahan? De stad lag centraal, had een gematigd klimaat, en er waren voldoende leegstaande gebouwen – voormalige Britse militaire barakken, verlaten fabrieken, en zelfs enkele paleizen – die konden worden omgebouwd tot vluchtelingenkampen. Bovendien was Isfahan ver verwijderd van de frontlinies en relatief veilig.
De eerste Polen arriveerden in Isfahan in de lente van 1942. Wat zij aantroffen was een stad van onvoorstelbare schoonheid. De blauwe tegels van de moskeeën, de booggewelven van de bazaars, de tuinen met fonteinen – het was een sprookjeswereld vergeleken met de grauwe ellende van Siberië. De kinderen, die nog nooit zoiets moois hadden gezien, keken hun ogen uit.
Een aparte wereld binnen Isfahan
De Polen werden ondergebracht in een speciaal voor hen ingerichte wijk, in de buurt van de oude Armeense wijk Jolfa. De barakken waren sober, maar ze hadden daken die niet lekten, muren die de wind buitenhielden, en bedden met echte matrassen. Er kwam een keuken, een ziekenboeg, en – voor het eerst in jaren – een eetzaal.
Al snel ontstond er een hechte gemeenschap. Mannen die maanden of jaren in verschillende goelags hadden vastgezeten, vonden elkaar terug. Vrouwen organiseerden naaikringen en kookgroepen. Oudere kinderen kregen de taak om op de kleintjes te passen, terwijl hun moeders werkten in de kampkeukens of wasserijen.
En de kerk – de kerk kwam er ook. De Polen hadden geen priester bij zich bij aankomst, maar al snel arriveerden Poolse militaire aalmoezeniers met het leger van generaal Anders. In een verlaten pakhuis in de Jolfa-wijk richtten ze een tijdelijke kapel in. Het was eenvoudig – een houten kruis, wat kaarsen, een tafel als altaar – maar voor de gelovigen was het heilig. Hier konden ze eindelijk weer hun zondagsplicht vervullen, hun kinderen dopen, en hun doden begraven volgens katholiek ritueel.
Een nieuw thuis – maar voor hoe lang?
Tegen het einde van 1942 waren de meeste Poolse vluchtelingen vanuit de tijdelijke kampen aan de kust overgebracht naar meer permanente locaties in het hele land. Isfahan was uitgegroeid tot het belangrijkste centrum, met duizenden bewoners – voornamelijk vrouwen, kinderen en ouderen, terwijl de mannen in het leger van Anders dienden of elders werkten.
Het leven in de kampen was nog steeds hard. Er was te weinig medicijnen, te weinig goede voeding, en te weinig ruimte. De scholen waren overvol, de ziekenhuizen onderbezet. Maar het was geen goelag meer. Het was geen gevangenis. Het was een plek waar Polen konden ademen, herstellen, en hopen op betere tijden.
De grootste vraag die iedereen bezighield was: wat nu? De oorlog woedde nog steeds. Polen was bezet door de Duitsers. Terugkeren was onmogelijk. Maar voor hoe lang kon Iran hen blijven huisvesten? En wat zou er gebeuren als de oorlog voorbij was?
Niemand had antwoorden. Voorlopig was het enige wat telde: overleven, bidden, en zorgen voor de kinderen. De kinderen van Isfahan.
Het katholieke geloof als anker in onzekere tijden
Een geloof dat de goelag overleefde
Wat bewaar je als je alles verliest? De Poolse vluchtelingen die in Iran aankwamen, hadden hun huizen, hun bezittingen, hun families en vaak hun gezondheid verloren. Duizenden hadden een ouder, een kind of een echtgenoot achtergelaten in een massagraf in Siberië. Wat hen resteerde – naast hun leven – was hun geloof. En dat geloof had de goelag overleefd, zij het in het diepste geheim.
In de Sovjet-Unie was godsdienst verboden. Priesters werden vermoord of naar werkkampen gestuurd. Kerken waren gesloten of omgebouwd tot magazijnen. Het bezit van een bijbel of een kruis was een misdrijf dat kon leiden tot jarenlange dwangarbeid. En toch baden de Polen. Ze baden in fluisterende stemmen in de barakken, ’s nachts als de bewakers sliepen. Ze doopten hun pasgeboren kinderen met een beetje water uit een beker. Ze zegenden hun maaltijden – schaars als die waren – zonder zichtbaar een kruisteken te maken.
Een van de overlevenden, die als kind in Kazachstan had vastgezeten, vertelde later: “Mijn moeder leerde mij het Onze Vader in het geheim. We mochten nooit hardop bidden. Als een bewaker ons hoorde, konden we worden afgevoerd. Maar we baden elke dag. Het was het enige wat we nog hadden.”
Toen de Polen in Iran arriveerden, gebeurde er iets wonderlijks: voor het eerst in jaren mochten ze openlijk hun geloof belijden. Geen geheime gebeden meer. Geen angst voor straf. De lucht was vrij.
De aankomst van de priesters
n het begin was er geen priester. De eerste vluchtelingen die in Pahlavi aan land kwamen, hadden alleen zichzelf en hun geloof. Ze organiseerden spontane gebedsbijeenkomsten in tenten en barakken. Een oude man reciteerde het gebed. Vrouwen zongen psalmen. Kinderen knielden in het zand.
Maar al snel arriveerden de militaire aalmoezeniers van het leger van generaal Anders. Dit waren Poolse priesters die met het leger waren meegekomen of later vanuit andere geallieerde kampen naar Iran werden gestuurd. Ze droegen geen traditionele habijten – die waren verloren gegaan in de goelag – maar versleten legeruniformen met een eenvoudig kruis op de borst. Voor de vluchtelingen waren deze priesters meer dan geestelijken. Ze waren levende symbolen van hoop, tastbare bewijzen dat God hen niet vergeten was.
De priesters reisden van kamp naar kamp. Ze hoorden biechten in overvolle ziekenzalen. Ze zegenden de maaltijden in de gaarkeukens. Ze begroeven de doden – en er vielen nog dagelijks doden in de eerste maanden – met een kort gebed en een houten kruis op het graf. En ze doopten de baby’s die in Iran waren geboren, de eerste generatie Poolse kinderen die het licht zagen in vrijheid.
De bouw van kerken in een islamitisch land
Iran was – en is – een overwegend sjiitisch land. De aanblik van een christelijke kerk was voor veel Iraniërs ongebruikelijk. Maar de Iraanse autoriteiten, onder de jonge sjah Mohammad Reza Pahlavi, waren tolerant. De Polen kregen toestemming om hun eigen gebedshuizen te bouwen.
In de kampen verrezen tijdelijke kapellen van hout en golfplaat. Ze waren eenvoudig, soms niet meer dan een schuur met een kruis op het dak. Maar voor de gelovigen waren ze heilig. Hier werden de eerste missen opgedragen sinds de deportatie. Hier knielden uitgehongerde moeders en huilende kinderen samen, hun stemmen vermengd in een gezamenlijk gebed.
In Teheran werd een voormalig pakhuis omgebouwd tot de Sint-Joriskerk (Kościół Świętego Jerzego). De kerk werd het spirituele centrum voor de Poolse gemeenschap in de hoofdstad. Ze kreeg een altaar, een orgel en – voor het eerst in Perzië – een toren met een kerkklok. De klok luidde elke zondagochtend, een vreemd geluid in een stad waar de oproep tot gebed van de muezzins de lucht domineerde.
In Isfahan, het belangrijkste Poolse centrum, werd in de wijk Jolfa een houten kerk gebouwd, gewijd aan de Heilige Maagd Maria, Koningin van Polen. Het was een bescheiden bouwwerk, maar het diende als het kloppende hart van het Poolse leven in de stad. Hier werden kinderen gedoopt, jongeren getrouwd, en de doden herdacht.
De Sint-Joriskerk in Teheran bestaat nog steeds. Het is een van de weinige actieve Rooms-Katholieke kerken in Iran en een stille getuige van dit vergeten hoofdstuk uit de geschiedenis. Poolse bezoekers die Teheran aandoen, kunnen de kerk nog altijd bezoeken en een kaars aansteken voor de vluchtelingen van weleer.
Het sacrament van de eerste communie
Voor veel Poolse kinderen was Iran de plaats waar ze voor het eerst openlijk deelnamen aan de sacramenten. In de goelag was dat onmogelijk geweest. Nu konden ze zich voorbereiden op hun eerste communie.
De voorbereiding vond plaats in de kampen, onder leiding van de priesters en later ook van katholieke nonnen die uit andere landen arriveerden. De kinderen leerden hun catechismus, oefenden hun gebeden en maakten hun eerste biecht. Het waren momenten van intense vreugde, zowel voor de kinderen als voor hun ouders.
Op de dag van de eerste communie trokken de kinderen witte jurken aan – vaak met de hand genaaid van eenvoudige stoffen – en liepen in processie naar de kerk. De meisjes droegen bloemenkransen in hun haar. De jongens hadden witte strikken om hun arm. De kerk was vol. Moeders huilden van geluk. Vaders, die vaak aan het front vochten met het leger van Anders, waren er niet bij. Maar de gemeenschap was er.
Een van de overlevenden, die in Isfahan haar eerste communie deed, herinnerde zich later: “We hadden niets. Geen speelgoed, geen boeken, geen mooie kleren. Maar op die dag voelden we ons rijk. Jezus kwam naar ons toe, zeiden de nonnen. En we geloofden het.”
Een biecht in het Perzisch
Een van de mooiste verhalen uit deze periode is dat van een Poolse priester die Perzisch leerde om de biecht te kunnen afnemen van een Iraanse christen.
Iran had een kleine autochtone christelijke minderheid – Armeniërs, Assyriërs en Chaldeeën – die al eeuwen in het land woonden. Toen de Polen arriveerden, ontstond er contact tussen deze groepen. De Iraanse christenen waren nieuwsgierig naar deze vreemde katholieken uit het verre Polen. De Polen waren verbaasd dat er in Iran al kerken bestonden, gebouwd lang voordat zij kwamen.
Sommige Iraanse christenen bezochten de Poolse missen. Ze begrepen de Poolse taal niet, maar de liturgie – de gezangen, de bewegingen, de geur van wierook – was vertrouwd. Een aantal van hen vroeg de Poolse priesters om de biecht af te nemen. De priesters spraken geen Aramees of Armeens, en de Iraniërs spraken geen Pools. Maar ze hadden het Perzisch gemeen.
Dus leerden de Poolse priesters Perzisch – genoeg om de biecht te kunnen afnemen. De zondaars beleden hun zonden in het Perzisch. De priester gaf absolutie in het Pools of Latijn, maar met Perzische woorden voor de essentie. Het was een klein wonder van interculturele genade.
Een laatste rustplaats op Iraanse bodem
Niet alle Polen overleefden de ballingschap. Duizenden stierven in Iran – aan ziekte, uitputting, of de naweeën van de goelag. Zij werden begraven op speciale Poolse begraafplaatsen, verspreid over het land. De grootste is de Poolse begraafplaats in Teheran (ook wel de begraafplaats van Dulab genoemd), waar honderden Poolse vluchtelingen rusten.
De graven zijn eenvoudig: witte stenen kruisen met Poolse inscripties. Veel grafstenen vermelden de naam, de geboortedatum en – het meest tragische – de leeftijd. Kinderen van twee, drie, vier jaar. Vrouwen van begin dertig. Mannen die de goelag overleefden, maar niet de tyfus.
Op elke begraafplaats staat een kapel. Daar worden nog steeds missen opgedragen, door Poolse priesters die speciaal voor de herdenkingen naar Iran reizen. De vlam van de herinnering wordt in stand gehouden door de Iraanse autoriteiten, die de begraafplaatsen onderhouden als teken van respect voor de gasten die nooit meer naar huis konden gaan
‘De Kinderen van Isfahan’: Een generatie gered
Een stad verandert in een kinderdorp
Stel u voor: u bent een kind van zes of zeven jaar oud. U herinnert zich nog vaag uw huis in Polen – de geur van vers brood, de houten vloer, de stem van uw vader. Maar de afgelopen jaren zijn een vage, angstige waas geweest: de veewagon, de kou van Siberië, de honger, de dood van uw moeder onderweg. En dan, plotseling, bent u in Isfahan.
Voor de duizenden Poolse kinderen die in 1942 aankwamen in de stad aan de Zayanderud, moet het gevoeld hebben alsof ze in een sprookje waren beland. Na de kale steppen van Kazachstan, de woestijnen van Turkmenistan en de ijzige taiga’s van Siberië, was Isfahan als een paradijs . De blauwe tegels van de moskeeën glinsterden in de zon. De tuinen waren groen en vol fruitbomen. De fonteinen kabbelden. En de mensen – de Iraniërs – glimlachten naar hen en gaven hen brood en melk.
Isfahan kreeg al snel de bijnaam die het tot op de dag van vandaag heeft behouden: de stad van de Poolse kinderen. In totaal vonden ongeveer drieduizend Poolse wezen een nieuw thuis in de stad. Zij werden ondergebracht in meer dan twintig verschillende locaties verspreid over de stad – voormalige Perzische binnenplaatshuizen, verlaten paleizen, en gebouwen die door de Iraanse autoriteiten ter beschikking waren gesteld.
De Perzische binnenplaatshuizen: een nieuw thuis
De accommodatie waarin de Poolse kinderen werden ondergebracht, was verre van standaard. De traditionele Perzische binnenplaatshuizen – met hun centrale tuin, fonteinen en hoge muren die de hitte buiten hielden – bleken bijzonder geschikt voor de opvang van de kinderen. Deze huizen, oorspronkelijk ontworpen voor uitgebreide Perzische families, boden beschutting tegen de felle zon en creëerden een veilige, afgesloten wereld waarin de kinderen konden herstellen.
Een van de eerste en meest bekende opvanglocaties was het landgoed van prins Sarmad-ol-Doleh, een groot en luxueus paleis in het westen van Isfahan. Het gebouw was ruim, had grote zalen die konden worden gebruikt als klaslokalen en slaapzalen, en beschikte over een tuin waarin de kinderen konden spelen. Andere locaties waren verspreid over de stad, waaronder gebouwen in de wijk Jolfa en langs de beroemde Chahar Bagh Boulevard. De omstandigheden waren eenvoudig maar draaglijk. De kinderen sliepen op matrassen op de vloer, deelden de maaltijden in gemeenschappelijke eetzalen en brachten hun dagen door met spelen, leren en herstellen. Voor kinderen die jarenlang honger hadden geleden en in veewagons hadden geslapen, was dit een onvoorstelbare verbetering.
Een nieuw leven: onderwijs en dagelijks leven
De Poolse gemeenschap in Isfahan organiseerde zich snel. Er kwamen scholen, kleuterscholen en gymnasia. De kinderen kregen les in het Pools – hun eigen taal, die velen al bijna vergeten waren. Ze leerden lezen en schrijven, rekenen, geschiedenis, aardrijkskunde – en natuurlijk godsdienst.
Een van de meest opvallende beelden uit die tijd is dat van de Poolse meisjes in hun truien en grijze geplooide rokken op weg naar school langs de Chahar Bagh. De Chahar Bagh – een van de mooiste boulevards ter wereld, met platanen en fonteinen – was voor even een Poolse straat geworden. De geluiden van het Perzisch vermengden zich met het Pools. De oproep van de muezzin werd afgewisseld met het luiden van kerkklokken.
De dagelijkse routine was strikt maar liefdevol. De kinderen stonden op, baden, ontbeten, gingen naar school, speelden in de tuin, aten samen, en gingen ’s avonds biddend naar bed. De nonnen – Zusters Ursulinen en Zusters Franciscanessen van de Familie van Maria – hielden een waakzaam oog op hen. Zij waren niet alleen onderwijzeressen, maar ook vervangende moeders, trooststers en zusters.
De rol van de Armeense gemeenschap
Een bijzonder aspect van de Poolse aanwezigheid in Isfahan was de relatie met de Armeense gemeenschap. De Armeniërs van Isfahan, gevestigd in de wijk Jolfa, waren al eeuwenlang christenen in een overwegend islamitisch land. Zij begrepen wat het betekende om een minderheid te zijn.
De Armeense kerken in Jolfa werden een toevluchtsoord voor de Poolse katholieken. In een Armeense kerk in Jolfa bevindt zich tot op de dag van vandaag een icoon van de Zwarte Madonna van Częstochowa – een van de heiligste symbolen van het Poolse katholicisme. Hoe de icoon daar terechtkwam, is niet met zekerheid bekend.
De Armeense gemeenschap nam ook de zorg op zich voor de Poolse begraafplaats in Isfahan – een taak die zij tot op de dag van vandaag vervullen. Op de Armeense begraafplaats, aan de oostelijke rand, bevindt zich een apart Pools gedeelte. Daar liggen twintig Poolse burgers begraven – zeven van hen kinderen. Eén graf draagt de hartverscheurende inscriptie: “Zag nooit het daglicht”.
Een onzekere toekomst
Terwijl de kinderen in Isfahan herstelden en leerden, woedde de oorlog voort. De mannen van het leger van Anders vochten in Italië, met name in de slag om Monte Cassino. Vrouwen werkten in de kampen als verpleegsters, onderwijzeressen en beheerders. Iedereen leefde in de hoop op een spoedige terugkeer naar een vrij Polen.
Maar die terugkeer zou nooit komen. Toen de oorlog in 1945 eindigde, was Polen niet vrij. Het was een satellietstaat van de Sovjet-Unie geworden, onder communistisch bewind. De katholieke kerk werd er vervolgd. Terugkeren naar Polen betekende terugkeren naar een nieuwe vorm van onderdrukking – ditmaal niet van de nazi’s of de Sovjets, maar van de communisten.
De kinderen van Isfahan zouden Polen nooit meer zien. Maar dat is een verhaal voor een volgend hoofdstuk.
Leven in de Poolse kampen: Een parallelle katholieke wereld
Een stad binnen een stad
Wie door Isfahan liep in de jaren 1942 tot 1945, kon een vreemd schouwspel aanschouwen. Te midden van de blauwe koepels van de moskeeën, de Perzische tuinen en de roep van de muezzin, klonken opeens Poolse stemmen. Kinderen in grijze rokken en maroonkleurige truien liepen in rijen naar school. Nonnen in habijten begaven zich door de bazaars. Uit een verlaten paleis klonk het geluid van een Pools volkslied.
De Poolse gemeenschap in Iran was geen losse verzameling vluchtelingen. Het was een parallelle samenleving – een complete katholieke wereld, opgebouwd uit het niets, te midden van een islamitisch land. De Polen hadden hun eigen scholen, hun eigen kerken, hun eigen rechtbanken, hun eigen kranten en zelfs hun eigen theaters. Voor de kinderen die er opgroeiden, was Iran niet vreemd – het was thuis.
Cultuur: Theater, muziek en literatuur
De Polen in Iran verlangden niet alleen naar brood en opleiding, maar ook naar cultuur. Ze hadden jarenlang in de goelag gezeten, waar elk spoor van beschaving was uitgewist. Nu, in vrijheid, wilden ze weer zingen, toneelspelen en lezen.
In Isfahan werden twee theaters opgericht . De opvoeringen waren een mengeling van klassiek Pools repertoire, patriottische stukken en lichte komedies om de mensen op te vrolijken. De acteurs waren amateurs – soldaten, leraren, zelfs kinderen – maar ze speelden met hart en ziel. De zaal was altijd vol. Voor de vluchtelingen was een avond in het theater een kostbaar moment van ontsnapping aan de dagelijkse zorgen.
Er was ook muziek. Een Pools orkest werd opgericht, dat wekelijks concerten gaf. Ze speelden Chopin, natuurlijk – de Poolse componist bij uitstek – maar ook lichtere muziek, marsen en volksliedjes. De klanken van een Poolse mazurka die door de Perzische avond klonken, moeten een bizar maar ontroerend schouwspel zijn geweest.
En er was literatuur. De Polen richtten een drukkerij op, waar Poolse boeken, schoolboeken en kranten werden gedrukt . De kranten hielden de gemeenschap op de hoogte van het nieuws van het front, de gebeurtenissen in Polen, en het reilen en zeilen in de kampen. Ze waren ook een platform voor Poolse dichters en schrijvers in ballingschap.
Een van de meest bijzondere uitgaven was een Pools-Perzisch woordenboek , samengesteld door Poolse taalkundigen om de communicatie met de Iraniërs te vergemakkelijken . Het woordenboek was een symbool van de wederzijdse nieuwsgierigheid en de wil om elkaar te begrijpen.
De rol van vrouwen: De ruggengraat van de gemeenschap
De Poolse gemeenschap in Iran was grotendeels vrouwelijk. De mannen vochten met het leger van Anders aan het front, of werkten elders in de geallieerde oorlogsindustrie. De vrouwen droegen de verantwoordelijkheid voor het dagelijkse leven in de kampen.
Zij kookten, naaiden, wasten, verzorgden de zieken en onderwezen de kinderen. Ze beheerden de voorraden, organiseerden de voedseldistributie en bemiddelden bij ruzies. Ze waren de ruggengraat van de gemeenschap, de stille krachten die ervoor zorgden dat het wiel bleef draaien.
Veel van deze vrouwen waren zelf diep getraumatiseerd. Ze hadden hun mannen, hun huizen, hun hele leven verloren. Toch stonden ze elke ochtend op, trokken ze een schone jurk aan – als ze die hadden – en gingen ze aan het werk. Ze huilden ’s nachts, in het donker, als de kinderen sliepen. Maar overdag waren ze sterk. Ze moesten wel.
Een blik op de toekomst
Ondanks alle activiteiten – school, kerk, sport, cultuur – was er één vraag die iedereen bezighield: wat komt er na de oorlog? Niemand had een antwoord.
De jongeren, die in Isfahan waren opgegroeid, kenden Polen nauwelijks. Iran was hun thuis. Ze spraken Perzisch, kenden de bazaars, waren gewend aan de hitte en de geuren. De gedachte om te vertrekken naar een vreemd, ver land – Polen, of misschien Amerika of Australië – was beangstigend.
De ouderen, daarentegen, verlangden terug naar Polen. Ze droomden van hun huizen, hun tuinen, de graven van hun voorouders. Ze wisten niet dat Polen onder communistisch bewind zou komen, dat hun huizen bezet waren door vreemden, dat terugkeren onmogelijk zou zijn.
Voorlopig leefden ze in het heden. Elke dag was een geschenk. Elke mis was een troost. Elk lachend kind was een overwinning op de duisternis.
Het einde van de oorlog: Geen terugkeer naar Polen
Het nieuws dat geen vreugde bracht
Mei 1945. Europa juichte. De nazi’s hadden zich overgegeven. De oorlog was voorbij. In Londen, Parijs, New York stroomden de straten vol met feestende mensen. Maar in de Poolse kampen van Isfahan en Teheran was de vreugde getemperd. Want de Polen wisten wat de rest van de wereld nog niet helemaal begreep: de oorlog was voor hen niet voorbij. Het was alleen maar anders geworden.
Polen was bevrijd van de Duitse bezetting, maar het was niet vrij. De Sovjet-Unie had het land in haar greep. Stalin had in Jalta, zonder overleg met de Poolse regering in ballingschap, besloten dat Polen een communistische satellietstaat zou worden. De westelijke geallieerden – de Verenigde Staten en Groot-Brittannië – hadden hier mee ingestemd. Voor de Polen was dit verraad.
De Poolse regering in ballingschap, die sinds 1940 in Londen zetelde, werd niet erkend door de Sovjet-Unie. In plaats daarvan installeerde Stalin een marionettenregering in Warschau, bestaande uit Poolse communisten die loyaal waren aan Moskou. De vrije verkiezingen die waren beloofd, werden nooit gehouden. Het was duidelijk: Polen was van de ene totalitaire bezetter in de handen van een andere gevallen.
Voor de Polen in Iran was dit een verwoestende klap. Ze hadden jarenlang gevochten, gehoopt, gebeden voor een vrij Polen. Hun mannen hadden gevochten bij Monte Cassino, hun vrouwen hadden gewerkt in de kampen, hun kinderen waren opgegroeid in ballingschap – allemaal met het oog op de dag dat ze terug konden keren naar een onafhankelijk vaderland. Die dag zou nooit komen.
Waarom terugkeer onmogelijk was
Er waren verschillende redenen waarom de Polen in Iran niet naar Polen terugkeerden.
Politieke vervolging: De nieuwe communistische regering in Warschau beschouwde de soldaten van generaal Anders en hun families als vijanden van de staat. Zij hadden gevochten aan de zijde van het westen, niet aan de zijde van de Sovjet-Unie. Velen van hen waren officieren geweest in het Poolse leger voor de oorlog, of hadden in de regering in ballingschap gediend. Terugkeren betekende gevangenschap, verbanning naar een nieuwe goelag, of de dood.
Religieuze vervolging: De communistische regering was officieel atheïstisch. De katholieke kerk werd onderdrukt. Bisschoppen werden gearresteerd, kerken werden gesloten, priesters werden vermoord. Voor de diepgelovige Polen in Iran – die hun geloof met zoveel moeite hadden bewaard – was terugkeren naar een atheïstisch Polen ondenkbaar.
Verlies van bezittingen: De huizen en landerijen van de gedeporteerden waren in beslag genomen door de Sovjet-Unie en later door de Poolse communistische regering. Er was niets om naar terug te keren. Hun bezittingen waren verdeeld onder Sovjet-kolonisten of Poolse communisten. Hun dorpen bestonden niet meer, of waren omgedoopt, of bevolkt door vreemden.
Angst: De Polen hadden de goelag meegemaakt. Ze wisten wat Sovjet-bewind betekende. Ze hadden geen enkele illusie dat het onder de communisten beter zou zijn. Terugkeren naar Polen was voor hen gelijk aan terugkeren naar de hel die ze met zoveel moeite hadden ontvlucht.
Een overlevende verwoordde het later als volgt: “We hadden Polen verlaten in 1939. We waren kinderen toen. We kenden Polen niet meer. Wat we wisten was de Sovjet-Unie, de goelag, de honger. En nu zouden we teruggaan naar een Polen dat weer door de Sovjets werd beheerst? Nee. We waren vrij in Iran. We wilden niet opnieuw gevangen worden genomen.”
De demobilisatie van het leger van Anders
Het leger van generaal Anders, dat in Iran was gevormd en later had gevochten in Italië, Palestina en Irak, werd in 1945 en 1946 gedemobiliseerd. De soldaten werden voor een keuze gesteld: terugkeren naar Polen, of blijven in het westen.
De meesten kozen voor het westen. Van de ongeveer 116.000 Polen die Iran hadden bereikt, keerden er slechts enkele honderden terug naar Polen. De rest verspreidde zich over de hele wereld.
Generaal Anders zelf keerde niet terug. Hij vestigde zich in Londen, waar hij tot zijn dood in 1970 het morele leiderschap behield over de Poolse diaspora. Zijn woorden waren duidelijk: “Wij zijn niet teruggekeerd naar Polen omdat er geen vrij Polen was om naar terug te keren. Wij blijven in ballingschap totdat Polen vrij is.”
De exodus uit Iran: Waar gingen ze naartoe?
De Polen konden niet in Iran blijven. Iran was een gastvrij land, maar het was niet hun thuis. Bovendien was Iran zelf nog steeds herstellende van de oorlog en de geallieerde bezetting. De Iraanse regering had de Polen opgevangen als tijdelijke gasten, niet als permanente bewoners.
In de periode 1945-1948 vertrokken de meeste Polen uit Iran. Hun bestemmingen waren divers.
Groot-Brittannië: De grootste groep Polen vestigde zich in het Verenigd Koninkrijk. De Britse regering, die tijdens de oorlog de Poolse regering in ballingschap had gehuisvest, voelde een morele verplichting om de Poolse soldaten en hun families op te nemen. Duizenden Polen arriveerden in Engeland, Schotland en Wales. Ze werkten in de fabrieken, in de mijnen, op het land. Ze bouwden Poolse kerken, scholen en culturele centra. Hun kinderen groeiden op als Britten, maar bleven Pools in hun hart.
Verenigde Staten: Ook de Verenigde Staten namen een aanzienlijk aantal Polen op. De Amerikaanse immigratiewetten waren streng, maar voor de Poolse veteranen werd een uitzondering gemaakt. Velen vestigden zich in industriesteden als Chicago, Detroit en Buffalo, waar al grote Poolse gemeenschappen bestonden. De kinderen van Isfahan werden Amerikanen, maar ze vergaten Isfahan nooit.
Canada: Canada was een andere bestemming, vooral voor boeren en landarbeiders. De Canadese regering zocht immigranten om het uitgestrekte land te bevolken. De Polen, die gewend waren aan zwaar werk en ontberingen, waren welkom. Ze vestigden zich op de prairie, in de bossen van Ontario, in de mijnen van Brits-Columbia.
Australië: Australië nam ook Polen op, met name via een speciaal immigratieprogramma voor Europese ontheemden. De Polen van Isfahan werden Australiërs, maar ze brachten hun geloof, hun taal en hun herinneringen mee. Vandaag de dag leven hun nakomelingen in Sydney, Melbourne en Perth.
Andere landen: Kleinere groepen vestigden zich in Frankrijk, België, Zweden, Brazilië, Argentinië en Zuid-Afrika. Overal ter wereld ontstonden Poolse diaspora-gemeenschappen, elk met hun eigen verhaal van ballingschap en overleving.
Wat bleef er achter in Iran?
Toen de Polen vertrokken, lieten ze veel achter. Niet alleen materiële zaken, maar ook immateriële erfenissen.
De begraafplaatsen: De meest tastbare herinnering aan de Poolse aanwezigheid in Iran zijn de begraafplaatsen. De grootste is de Poolse begraafplaats in Teheran (Dulab), waar ongeveer 2.000 Polen rusten . Daarnaast zijn er Poolse begraafplaatsen in Isfahan, Ahvaz, Bandar-e Anzali en Mashhad. De graven worden nog steeds onderhouden, deels door de Iraanse autoriteiten, deels door de lokale Armeense gemeenschap. Elk jaar, op Allerzielen (1 november), worden er kaarsen ontstoken op de Poolse graven – een traditie die tot op de dag van vandaag voortduurt.
De kerken: De Sint-Joriskerk in Teheran bestaat nog steeds. Het is een van de weinige actieve Rooms-Katholieke kerken in Iran. De kerk wordt nu voornamelijk bezocht door de kleine buitenlandse gemeenschap in Teheran – diplomaten, zakenmensen en hun families – maar de Poolse identiteit is nog altijd voelbaar. Op de muren hangen Poolse iconen. In de tuin staat een beeld van de Heilige Maagd Maria. Tijdens de Poolse feestdagen worden er nog missen in het Pools opgedragen.
De houten kerk in Isfahan is helaas verloren gegaan. Het gebouw, dat in de wijk Jolfa stond, werd na het vertrek van de Polen afgebroken. Maar de herinnering leeft voort. In een Armeense kerk in Jolfa hangt nog steeds de icoon van de Zwarte Madonna van Częstochowa – een stille getuige van de Poolse aanwezigheid.
De herinnering: In Iran is de herinnering aan de Polen niet verdwenen. Oudere Iraniërs in Isfahan en Teheran weten nog van hun ouders over de “Poolse gasten” die tijdens de oorlog in hun stad verbleven. Sommigen bewaren nog voorwerpen – een kruis, een foto, een Pools boek – die hun ouders van de Polen kregen. De Iraanse historicus Dr. Ahmad Reza Behnia heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de Poolse aanwezigheid in Iran en beschouwt het als een van de mooiste voorbeelden van Iraanse gastvrijheid.
De erfenis voor de volgende generatie
De kinderen van Isfahan zijn nu oud. De meesten zijn in de negentig, of al overleden. Maar hun kinderen en kleinkinderen – de tweede en derde generatie – dragen hun verhaal verder.
Over de hele wereld zijn er verenigingen van “Isfahan Children” en hun nakomelingen. Ze komen samen, ze zingen Poolse liederen, ze delen foto’s en herinneringen. Ze bezoeken Iran, wanneer de politieke omstandigheden het toelaten, om de graven van hun ouders en grootouders te eren. Ze onderhouden contacten met Iraanse families die ooit hun buren waren.
Een van hen, de inmiddels overleden overlevende Władysław Czapski, die als zesjarig jongetje in Isfahan aankwam, zei ooit: “Iran redde mijn leven. Als we niet naar Iran waren gekomen, waren we allemaal gestorven in Siberië. Ik zal de Iraniërs eeuwig dankbaar zijn.”
Zijn woorden weerspiegelen de gevoelens van een hele generatie – een generatie die de hel had overleefd, die een nieuw thuis had gevonden in een onverwacht gastvrij land, en die uiteindelijk de wereld over trok, met Polen in hun hart en Isfahan in hun herinnering.





