Wat schildert een dichter als hij geen penseel, maar woorden gebruikt? Kazimierz Przerwa-Tetmajer geeft in zijn ogenschijnlijk simpele gedicht ‘W lesie’ (‘In het bos’) een verbluffend antwoord. Hier wordt geen verhaal verteld, geen morele les gepredikt. In plaats daarvan ontvouwt zich een filosofie in zuivere sensatie: een filosofie van het licht. Het is het licht dat de goudwitte wolken drijft, de zwaluw verzilvert en het water in opaal verandert. Het is het licht dat uiteindelijk transformeert tot een ‘doorzichtige, vluchtige, azuurblauwe overpeinzing’ die over het landschap neerdaalt. Dit artikel onderzoekt hoe Tetmajer licht niet als decoratie, maar als de ware protagonist en denker van zijn gedicht presenteert – de stille kracht die de wereld waarneembaar, diepzinnig en teder melancholiek maakt.
Het gedicht
W lesie (Poolse versie):
Wolno i sennie chodzą
po jasnym tle błękitu
złocistobiałe chmurki
z połyskiem aksamitu.
Niekiedy się zasrebrzy
pod słońca blask z ukosa
jaskółka śmigła, czarna,
sunąca przez niebiosa.
Po łące cichej, jasnej,
w srebrne objętej ramy,
przez opalowy strumień
złote się kładą plamy.
Szmaragdem słońce błyska
na ciemnej drzew zieleni
lub przez konary rzuca
ognistych pęk promieni.
Po niebie i po lesie,
po łąk zielonych łanie,
przejrzyste, zwiewne idzie
błękitne zadumanie.
In het bos (vertaling):
Langzaam en sluimerend drijven,
over een helder azuren veld,
goud-witte wolkjes
met een fluweelachtige glans.
Soms verzilvert zich plots,
in de schuine gloed van de zon,
de slanke, zwarte zwaluw,
glijdend door de hemel.
Over de weide, stil en licht,
omkaderd door een zilveren rand,
op de opalen beek stroomt
leggen zich gouden vlekken neer.
Smaragdgroen flonkert de zon
op het donkere groen der bomen,
of werpt door de takken heen
een bundel vurige stralen.
Over de hemel en door het woud,
over het veld van groene weiden,
gaat doorzichtig, vluchtig
een azuren overpeinzing.
Het licht als schilder – een impressionistisch manifest
Om de filosofie van het licht in ‘In het bos’ te begrijpen, moeten we eerst de taal ervan leren lezen. Tetmajer hanteert hier namelijk een specifieke artistieke grammatica: die van het literair impressionisme. Waar een realist het bos zou beschrijven als een verzameling bomen, grassoorten en een geografische locatie, kiest Tetmajer voor een radicaler uitgangspunt: hij schildert niet de dingen zelf, maar de indruk die ze op het waarnemende bewustzijn maken. En in dit gedicht is het licht de primaire, bijna enige bron van alle indrukken. Het is de ultieme kunstenaar.
Kleur als effect, niet als eigenschap
De wolken zijn niet gewoon wit; ze zijn “goud-wit” (“złocistobiałe”) en hebben de “glans van fluweel”. Dit is niet de wolken zelf, maar het zonlicht dat er vanaf weerkaatst, met een warme, zachte textuur.
De zwaluw wordt “verzilverd” (“zasrebrzy”) onder de schuine zonnestralen. Haar zwarte verenkleed is niet relevant; het is het momentane optische effect dat de dichter vangt.
Het water van de beek is “opaal”, een verwijzing naar de melkachtige, iriserende schittering van de edelsteen, veroorzaakt door lichtbreking.
De bomen zijn geen simpel groen; in de zon schitteren ze als “smaragd”.
Werkwoorden van transformatie
Deze schilderkunstige actie wordt versterkt door Tetmajers keuze van werkwoorden. Het licht is geen statische toestand; het is een dynamische, scheppende kracht:
Het “verzilvert” (zasrebrzy) – een verandering teweegbrengend.
Het “werpt” (rzuca) bundels vurige stralen door de takken.
Het “legt zich neer” (kładą się) als gouden vlekken op het water.
Elke strofe is een nieuwe penseelstreek op het canvas, een nieuw effect van het licht op een ander element van het landschap. De volgorde is geen toeval: van de hoge wolken, naar een snelle vogel in de lucht, naar het lage, open veld met water, naar de dichte bomen. Het is een panoramische blik die door het licht wordt geleid.
Het ultieme canvas voor dit impressionistische meesterwerk is niet papier, maar de geest van de lezer. Tetmajer maakt gebruik van ekphrasis: de gedetailleerde verbale beschrijding van een (denkbeeldig) visueel kunstwerk. Hij geeft ons niet het bos, hij geeft ons de formule om het zelf te zien. Door zijn woorden projecteren we een beeld van vrede, harmonie en luminieuze schoonheid. Het gedicht slaagt er niet in omdat het nauwkeurig is, maar omdat het effectief is in het oproepen van een specifieke, gevoelsmatige impressie.
Het licht als waarnemer
In het gedicht is er geen menselijke observator aanwezig. Er is geen “ik” dat kijkt, geen wandelaar die zijn indrukken deelt. In plaats daarvan fungeert het licht als een camera obscura, een drijvende, intelligente blik die het landschap aftast. Het is de enige constante actor die van scène naar scène beweegt: van de hoge atmosfeer (wolken), naar de middelste (zwaluw), naar het lage, horizontale vlak (weide, beek), om ten slotte in de verticale structuur van het bos te verdwijnen. Deze panoramische beweging creëert een subjectiviteit. We zien niet wat er is, maar wat het licht ziet en aanraakt. Het licht is niet langer een instrument van onze blik; het heeft een eigen blik verworven.
Deze ontwikkeling bereikt haar filosofische hoogtepunt in de geniale laatste strofe. Hier stopt het licht met het creëren van concrete visuele effecten (goud, zilver, smaragd, vuur). In plaats daarvan kristalliseert het zich tot een puur concept, een stemming die het hele landschap doordringt.
“Po niebie i po lesie, / po łąk zielonych łanie, / przejrzyste, zwiewne idzie / błękitne zadumanie.”
“Over de hemel en door het woud, / over het veld van groene weiden, / gaat doorzichtig, vluchtig / een azuren overpeinzing.”
Dit is de cruciale wending. “Błękitne zadumanie” – de “azuurblauwe overpeinzing” – is niet slechts een mooie metafoor voor de schemering. Het is de belichaming van het licht zelf in een staat van contemplatie. Het licht, na het landschap te hebben geschapen en verkend, wordt nu zelf de drager van de diepste stemming van dat landschap: een weemoedige, tedere, diepe peinzing.
Het Poolse woord “zadumanie” is essentieel. Het duidt niet op actief nadenken, maar op een dromerige, verzonken, bijna hypnotische staat van overpeinzing. Het licht denkt niet in woorden of concepten; het is een overpeinzing. Het neemt de vrede, de stilte en de melancholie van het moment in zich op en straalt die, nu in abstracte vorm, opnieuw uit over alles wat het eerder vorm gaf
Conclusie
Wat blijft er over nadat het licht is getransformeerd, gepenseeld en weggetoverd? Wat blijft er van een gedicht dat geen plot heeft, geen boodschap verkondigt, maar slechts een stemming weet op te roepen? Kazimierz Przerwa-Tetmajers ‘In het bos’ leert ons dat het antwoord niets minder is dan een complete manier van zijn.
In plaats van door het bos te lopen (met een doel), of het te analyseren (als een botanicus), nodigt het gedicht je uit om er simpelweg te zijn zoals het bos is onder het licht: rustig, ontvankelijk, vervuld van een stille, lichtgevende reflectie. Die staat van zijn is “compleet” omdat ze het zintuiglijke, het emotionele en het filosofische verenigt.





