De namen klonken nog maar net in het Duits: Stanisław Ryniak, Kazimierz Piechowski, Bronisław Czech… Maar voordat de echo’s van de appèlplaats in Auschwitz I waren verdwenen, waren deze mannen hun identiteit al kwijt. Ze waren teruggebracht tot nummers, genummerd 31 tot en met 758. Het waren Poolse intellectuelen, atleten en patriotten, doelbewust gearresteerd in een Duitse campagne om Polen te onthoofden van zijn leiders. Auschwitz was het eerst een martelkamer voor de Poolse ziel. Dit is het verhaal.

Het doelwit van de bewuste vernietiging: de Poolse elite

De mannen die op 14 juni 1940 uit de veewagons stapten, waren niet willekeurig gearresteerd. Hun gevangenneming was het resultaat van een kille, bureaucratische berekening van de Duitse bezetter. Polen was in september 1939 verslagen, maar het Duitse Rijk streefde niet slechts naar militaire overwinning; het streefde naar de volledige vernietiging van de Poolse natie en haar identiteit. Dit plan kreeg een naam: de Intelligenzaktion.

De Intelligenzaktion was de codenaam voor de systematische uitroeiing van de Poolse elite. De Duitse nazi’s begrepen dat een land zonder leiders, zonder intellectuelen, zonder geestelijken en zonder leraren weerloos zou zijn. Het zou worden gereduceerd tot een slapende kolonie, een reservoir van dwangarbeiders zonder eigen bewustzijn. De eerste gevangenen van Auschwitz waren dan ook niet zomaar ‘criminelen’ of ‘asocialen’, zoals de propaganda hen bestempelde. Het waren de ruggengraat van de Poolse samenleving.

Onder de 728 mannen bevonden zich jonge studenten van de universiteiten van Krakau en Warschau, die stiekem waren doorgegaan met studeren of zich hadden aangesloten bij het eerste verzet. Er waren katholieke priesters, die door de Duitsers werden gezien als gevaarlijke verspreiders van Poolse cultuur en verzet. Docenten en onderwijzers, die de volgende generatie Polen zouden moeten vormen, waren oververtegenwoordigd. En dan waren er de atleten en Olympiërs, zoals Bronisław Czech, een beroemde skiër en vertegenwoordiger van een trotse natie. Hun aanwezigheid in het transport was een symbolische klap: de fysieke kracht en gezonde geest van Polen moest worden gebroken.

De arrestaties waren vaak het gevolg van een van de eerste verzetsdaden. Sommigen werden gepakt omdat ze betrapt waren op het bezit van illegale blaadjes, anderen omdat ze probeerden de grens over te steken naar het Poolse leger in ballingschap in Frankrijk. Velen waren simpelweg opgepakt tijdens een razzia in hun woonplaats, verraden door een buurman of gevangen in een willekeurige controlepost. Voor de Duitsers maakte de precieze reden niet uit; het doel was om de potentiële leiders van de toekomst nu al te elimineren.

Toen de trein uit Tarnów de oprit van het kamp bereikte, keken deze mannen naar de bakstenen gebouwen van het voormalige Poolse legerkamp. Het was een plek die zij kenden van hun eigen nationale leger, nu omheind met prikkeldraad en bewaakt door SS’ers. Ze wisten nog niet dat dit het begin was van een lange, duistere weg. Ze wisten nog niet dat de nummers die hen in de arm zouden worden gebrand, het enige zouden zijn wat van hun identiteit overbleef. Ze wisten alleen dat ze, door te zijn wie ze waren, al een misdaad hadden begaan in de ogen van de Duitse bezetter.

De poort van geen terugkeer

De zomerse hitte van 14 juni 1940 maakte de overgang van mens naar nummer niet milder. Toen de deuren van de veewagons openschoven, werden de 728 mannen niet alleen geconfronteerd met het felle zonlicht, maar ook met een realiteit die zij zich niet konden voorstellen. SS’ers te paard, zwepen in de hand, dreven hen de oprit af. Het bekende Poolse landschap met zijn velden en bossen verdween achter hen. Voor hen lag een wirwar van bakstenen gebouwen, omringd door een dubbele rij prikkeldraad waar spanning op stond. De poort, waar later het cynische ‘Arbeit macht frei‘ boven zou prijken, stond nog open. Maar voor deze mannen was het de poort van geen terugkeer.

Wat volgde was een mechanisme dat tot in de puntjes was ontworpen om te vernederen en te ontmenselijken. De aankomstprocedure was een helse wervelwind van geschreeuw, willekeurig geweld en totale desoriëntatie. De SS’ers en de reeds aanwezige Duitse kapo’s – de nummers 1 tot 30 die twee weken eerder waren gearriveerd – namen de nieuwkomers in ontvangst met een stortvloed aan klappen en trappen. Het doel was simpel: elk greintje eigenwaarde eruit slaan, nog voordat de eerste voet het kamp had gezet.

In een wanordelijke, maar dodelijk efficiënte rij moesten de mannen hun bezittingen inleveren. Alles wat hen aan hun vorige leven bond – foto’s van geliefden, een rozenkrans, een geliefd boek, een horloge – verdween in grote manden. Het was de eerste dood: de dood van hun materiële geschiedenis. Daarna moesten ze zich volledig uitkleden. In een seconde vielen niet alleen de kleren, maar ook de laatste resten van hun burgermaatschappelijke identiteit. Ze stonden naakt, beschaamd en kwetsbaar voor hun Duitse beulen, die hen beoordeelden met de kilheid van een veehandelaar.

De douche was geen daad van hygiëne, maar van symbolische reiniging. Het water dat over hen heen stroomde, waste niet het stof van de reis weg, maar spoelde hun verleden van hen af. Wat overbleef was een grondstof, een anoniem lichaam dat geschikt moest worden gemaakt voor het kamp. Na het afdrogen werden ze naar de ‘kapper’ gedreven, waar al hun haar met ondeskundige scharen en tondeuses werd afgeschoren. Het hoofd kaal, het lichaam gladgeschoren – de universele uniformiteit van de concentratiekampgevangene was geboren.

En toen kwam het ergste: het nummer. In deze beginperiode van Auschwitz werden de nummers nog niet als tatoeage in de onderarm gestoken. Dat zou pas later, in 1941 en 1942, de standaardprocedure worden. De eerste gevangenen kregen hun nummer op een andere, even vernederende manier. Er werd een metalen plaatje met een gaatje erin gepakt, waar een nummer op was gestanst. Dit plaatje moesten ze aan een koord om hun nek dragen. Maar de registratie was meer dan dat. De mannen moesten in een rij gaan staan, en een SS’er met een speciale naald prikte het nummer letterlijk in hun borstkas. Het werd er met inkt ingewreven, zodat het zichtbaar bleef. Het was een primitieve, pijnlijke en diep vernederende handeling. Je was niet langer Kazimierz of Stanisław. Je was nu een nummer op een metalen plaatje en een bloedige wond op je huid. De nummers 31 tot 758 waren vergeven.

Na deze ontmenselijking werden ze in gestreepte kampkleding gehesen – vaak te groot of te klein, gescheurd en vuil. Ze keken elkaar aan. Herkenden ze elkaar nog? De ontluistering was compleet. Ze waren klaar om het kamp in te gaan, een plek waar de dood niet in de verte dreigde, maar direct naast hen zou staan in de rij tijdens de appels, in de stenen die ze moesten sjouwen, en in de ogen van de kapo’s die het recht hadden hen dood te slaan. De eerste dag was nog niet voorbij, en velen van hen vroegen zich al af hoe lang ze dit nog zouden volhouden.

De zomer van 1940 – leven tussen de stenen

De eerste weken in Auschwitz I waren voor de Poolse gevangenen een aanval op al hun zintuigen. De zomer van 1940 was heet, maar de hitte bracht geen verlichting, alleen meer dorst en meer uitdroging. De mannen met de nummers 31 tot 758 moesten leren overleven in een wereld waar de wetten van de normale samenleving niet golden. Hier heerste maar één wet: die van het willekeurige geweld.

Het dagelijkse bestaan begon voor zonsopgang. Een oorverdovend gefluit en geschreeuw van de kapo’s joeg de gevangenen uit hun houten britsen. Ze sliepen met soms wel vier of vijf man op een smalle plank, dicht tegen elkaar aan gedrukt in een poging wat warmte te vinden in de koele nachten. De barakken, voormalige Poolse legerstallen, waren tochtig en vies. Er was geen stromend water, geen sanitaire voorzieningen. Een ton met een plank erover diende als latrine, een bron van infecties en vernedering.

Het ochtendappèl was de eerste beproeving. Urenlang moesten de gevangenen roerloos staan, rijen en rijen gestreepte gestalten, terwijl de SS’ers hen telden en hertelden. Bij mistral, regen of zon, het maakte niet uit. Wie bewoog, wie viel van uitputting, kreeg een trap of een klap met de geweerkolf. Het was een les in geduld en onzichtbaarheid: opvallen betekende dood.

Na het appèl volgde de dwangarbeid. In deze beginfase van het kamp waren de gevangenen vooral bezig met de bouw van hun eigen gevangenis. Ze moesten de barakken uitbreiden, nieuwe prikkeldraadomheiningen plaatsen, en het terrein egaliseren. Het was zwaar, vernederend werk, altijd rennend, altijd onder het toeziend oog van sadistische kapo’s die hun macht misbruikten om hun eigen positie bij de SS te verbeteren. De emmer soep die ’s middags werd uitgedeeld, een waterig brouwsel van rapen en soms een stukje vlees, was onvoldoende om de energie aan te vullen die ze verbruikten. Honger werd hun constante metgezel.

Toch was er in die eerste zomer ook een vonkje van verzet, van menselijkheid die niet te breken was. De Poolse gevangenen, jong en idealistisch, begonnen stiekem netwerken op te bouwen. Ze deelden schaarse informatie over wie er was aangekomen en wie er was gestorven. Ze probeerden elkaar moed in te spreken in het Pools, een taal die verboden was maar die in het geheim bleef klinken. Kazimierz Piechowski, een van de jongere gevangenen, zou later beroemd worden om zijn ontsnapping, maar in die eerste zomer was hij nog een nummer dat probeerde te overleven. Bronisław Czech, de Olympische atleet, gebruikte zijn fysieke kracht om anderen te steunen, maar zag ook hoe diezelfde kracht hem steeds meer uitputte.

De dood was alomtegenwoordig. Niet in de gaskamers, die bestonden nog niet, maar in de willekeur van het geweld. Een gevangene die te langzaam liep tijdens het werk, kon ter plekke worden doodgeschoten. Een priester die weigerde zijn geloof te verloochenen, werd doodgeslagen in de steengroeve. De eerste zelfmoorden vonden plaats: mannen die niet konden leven met de schaamte, de honger en de wanhoop, renden tegen de elektrische draad van het prikkeldraad aan. Het was een snelle, zij het gruwelijke, bevrijding.

En ’s avonds, na het tweede appèl, keerden de levenden terug naar hun barakken. Ze lagen in het donker, de lichamen pijnlijk, de magen leeg, de oren gespitst op het geluid van de SS die nog een laatste slachtoffer kwam halen. In de stilte fluisterden ze soms gebeden, of de namen van hun geliefden in Krakau, Warschau of het kleine dorpje waar ze vandaan kwamen. De hoop om die gezichten ooit weer te zien, werd met de dag kleiner, maar voor velen was het de enige brandstof om de volgende ochtend weer op te staan.

De eerste vonken van verzet

In de hel van Auschwitz I, waar de dood elke dag om de hoek loerde, gebeurde iets opmerkelijks. De menselijkheid liet zich niet volledig uitroeien. Tussen de honger, de slagen en de uitputting door, ontstonden de eerste vonken van verzet. Niet het grootschalige, georganiseerde verzet van latere jaren, maar kleine, persoonlijke daden van moed die de gevangenen eraan herinnerden dat ze nog steeds mensen waren.

De eerste ontsnapping uit Auschwitz vond plaats amper twee weken na de aankomst van het eerste transport. Op 6 juli 1940 waagde Tadeusz Wiejowski, nummer 220, de gok. Hij was een Poolse vakbondsman uit de regio Tarnowskie Góry en werkte in een van de eerste kampcommando’s die buiten de prikkeldraadomheining mochten werken. Met de hulp van enkele Poolse burgerarbeiders die van buiten het kamp kwamen, wist hij burgerkleding te bemachtigen. Op een moment dat de bewaking even niet oplette, glipte hij weg.

De reactie van de SS was snel en meedogenloos. Wiejowski was ontsnapt, maar de achterblijvers moesten boeten. De gevangenen moesten urenlang op het appèlplein staan, roerloos in de brandende zon, terwijl de SS een voorbeeld stelde. Het eten werd ingetrokken, en willekeurige gevangenen werden eruit gepikt en mishandeld. De boodschap was duidelijk: ontsnappen kon, maar de prijs was hoog voor degenen die achterbleven. Toch was de ontsnapping van Wiejowski – die overigens nooit meer werd gevangen – een morele opsteker. Het bewees dat het kamp geen gesloten systeem was, dat er gaten zaten in de muren van de angst.

Naast ontsnappingen was er het stille verzet van alledag. In de barakken, verborgen voor de ogen van de kapo’s en de SS, begonnen gevangenen kleine netwerken te vormen. Ze deelden voedsel met de zwaksten, ook al betekende dat zelf meer honger lijden. Ze waarschuwden elkaar voor gevaarlijke kapo’s of voor SS’ers die in een bijzonder wrede bui waren. Ze spraken Pools, de verboden taal, in gefluisterde zinnen die klonken als gebeden. Het was een daad van verzet om je moedertaal te blijven spreken, om je identiteit niet volledig prijs te geven.

De rol van de priesters onder de gevangenen was in deze eerste maanden cruciaal. Priester Józef Kowalski uit Krakau, was een van hen. In het geheim hoorde hij biecht, bad hij met stervenden en gaf hij de absolute aan mannen die de volgende ochtend niet meer zouden halen. Het was levensgevaarlijk. Als de SS hem had betrapt, was hij ter plekke doodgeslagen. Maar voor veel gevangenen was zijn stille aanwezigheid een baken van hoop in een uitzichtloze duisternis.

Ook de jongere gevangenen, de studenten en scholieren, vonden manieren om te overleven. Ze organiseerden stiekem ‘lessen’ tijdens het schaarse vrije uur in de barak. Ze fluisterden over Poolse literatuur, over geschiedenis, over alles wat de Duitsers juist wilden uitroeien. Het was absurd en gevaarlijk: zittend op de rand van een brits, met uitzicht op prikkeldraad en wachttorens, bespraken ze de gedichten van Adam Mickiewicz. Maar juist die absurditeit gaf hen kracht. Het was een manier om te zeggen: jullie hebben ons lichaam, maar niet onze geest.

De solidariteit onder de gevangenen was niet vanzelfsprekend. De honger en de terreur dreven mensen soms uit elkaar, maakten hen egoïstisch. Maar in die eerste zomer van 1940 ontstond er ook een gemeenschapsgevoel. De mannen met de lage nummers, de nummers 31 tot 758, vormden een soort broederschap van de eerste uren. Ze hadden samen de aankomst overleefd, samen de eerste klappen opgevangen, samen geleerd hoe je een extra lepel soep kon bemachtigen zonder geslagen te worden. Ze kenden elkaars echte namen, niet alleen de nummers. En zolang ze die namen kenden, bleef er hoop.

Deze eerste daden van verzet en solidariteit legden de basis voor wat later zou komen: de beroemde ontsnapping van Kazimierz Piechowski en drie anderen in 1942, het verzetsnetwerk binnen het kamp, en uiteindelijk de opstand van het Sonderkommando in 1944. Maar in de zomer van 1940 waren het nog kleine, kwetsbare vonkjes. Vonkjes die de duisternis nog niet konden verlichten, maar die wel bewezen dat het vuur van de menselijkheid niet te doven was.

De eerste winter en de schaduw van wat komen gaat

De zomer van 1940 maakte plaats voor herfst, en de herfst voor winter. De korte Poolse dagen brachten niet alleen kou, maar ook een nieuwe, genadeloze realiteit. De mannen die de eerste maanden hadden overleefd, dachten misschien dat het ergste achter hen lag. Ze hadden zich aangepast aan het ritme van slaap, appèl en dwangarbeid. Ze hadden geleerd hun honger te verdoven en hun angst te verbergen. Maar de winter van 1940-1941 zou hen leren dat Auschwitz altijd dieper kon zinken.

De barakken, ooit ontworpen als paardenstallen voor een Pools leger dat nooit in deze aantallen had hoeven slapen, waren totaal ongeschikt voor de Poolse winter. De wind gierde door de kieren tussen de planken. Er was geen verwarming, nauwelijks dekens. De gevangenen sliepen in hun dunne gestreepte uniformen, dicht tegen elkaar aan gedrukt in een wanhopige poging hun lichaamswarmte te delen. ’s Ochtends waren sommigen niet meer wakker geworden. De dood werd een vaste gast, niet door geweld, maar door simpele, meedogenloze uitputting en onderkoeling.

Tyfus en andere ziekten begonnen hun tol te eisen. De combinatie van ondervoeding, uitputting en de erbarmelijke hygiënische omstandigheden was een vruchtbare bodem voor epidemieën. De latrines bevroren, het gebrek aan schoon water werd nog nijpender. Wie ziek werd, had twee opties: zich verstoppen en hopen te herstellen, of naar de ziekenboeg gaan, een plek die in die tijd weinig meer was dan een wachtkamer voor de dood. De SS had weinig interesse in het genezen van gevangenen; zieken waren nutteloos voor de arbeid en kostten alleen maar voedsel.

Toch was er ook in deze donkere maanden een vreemde veerkracht. De solidariteit die in de zomer was ontstaan, werd nu een kwestie van leven of dood. De gevangenen deelden niet alleen voedsel, maar ook warmte. Ze wisselden de meest beschutte slaapplekken uit, hielden elkaar wakker wanneer de kou te dreigend werd, en fluisterden verhalen over warme zomers en geliefden om de werkelijkheid even te ontvluchten. De menselijke geest, zo bleek, kon zich aanpassen aan bijna alles – behalve aan volledige isolatie. Zolang ze elkaar hadden, was er hoop.

Maar achter de schermen van dit dagelijkse overleven, gebeurde er iets dat het lot van Auschwitz voorgoed zou veranderen. In het voorjaar van 1941, terwijl de gevangenen nog vochten tegen de laatste kou, nam de SS een besluit dat het kamp zou transformeren van een regionale gevangenis voor Poolse politieke gevangenen tot het epicentrum van de Holocaust. Heinrich Himmler, de leider van de SS, bezocht het kamp en gaf opdracht tot een enorme uitbreiding. Er moest een nieuw kamp komen, enkele kilometers verderop, in het moerasachtige gebied van Birkenau. Auschwitz II was geboren.

De eerste gevangenen van Auschwitz, de Polen van het eerste uur, wisten nog niet wat deze uitbreiding betekende. Ze zagen alleen meer bouwprojecten, meer dwangarbeid, meer doden. Maar de schaduw van wat komen ging, begon zich al af te tekenen. In september 1941 arriveerde een nieuw soort gevangenen: Russische krijgsgevangenen. Ze werden behandeld als beesten, nog slechter dan de Polen. En met hen kwam een nieuwe dood. In de kelder van blok 11, de gevangenis binnen het kamp, werd voor het eerst geëxperimenteerd met een gas dat Zyklon B heette. De slachtoffers waren Russische krijgsgevangenen en zieke Poolse gevangenen. Het was de repetitie voor wat in Birkenau op industriële schaal zou plaatsvinden.

De mannen met de nummers 31 tot 758 zagen dit alles gebeuren. Sommigen stierven in die eerste winter, anderen zouden later sterven in de gaskamers of tijdens de dodenmarsen. Maar weinigen overleefden de oorlog. Degenen die het overleefden, droegen de rest van hun leven de herinnering aan die eerste zomer en winter met zich mee. Zij wisten dat Auschwitz niet begon met de gaskamers en de treinen uit heel Europa. Het begon met hen. Het begon met een plan om de Poolse elite te vernietigen. Het begon met 728 mannen uit Tarnów die op een warme junidag uit een trein stapten en werden omgetoverd tot nummers.

Hun verhaal is het verhaal van het begin. Een begin dat vaak over het hoofd wordt gezien, maar dat de essentie van het kwaad blootlegt: het begint altijd met het ontmenselijken van een groep, met het uitwissen van namen en identiteiten, met de overtuiging dat de ene mens minder waard is dan de andere. De eerste gevangenen van Auschwitz waren de eersten die dat aan den lijve ondervonden. Maar ze waren niet de laatsten.

Dit was het verhaal van de eerste gevangenen van Auschwitz I: Polen. Hun moed, hun lijden en hun menselijkheid mogen nooit vergeten worden.