Op 12 november 1955 krijgen 149 voormalige Wehrmacht- en enkele Waffen-SS officieren in de Bonner Ermekeilkazerne hun officiële benoemingsbrief overhandigd. Zij vormen de eerste generatie van een nieuw Duits leger: de Bundeswehr. Onder hen bevinden zich mannen die nog kort daarvoor strategieën planden voor Hitlers veroveringsoorlogen. Minder dan een decennium na de val van het Derde Rijk worden zij opgeroepen om de democratie te verdedigen.
Hoe kon dit gebeuren? Het verhaal van de transformatie van Hitlers militaire elite in de architecten van de NAVO-verdediging is een van de meest ongemakkelijke en wezenlijke hoofdstukken uit de naoorlogse Duitse geschiedenis. Het weerlegt het eenvoudige idee van een ‘Stunde Null’ – het morele nulpunt van 1945. In plaats daarvan toont het een diepgaande continuïteit in uniform, een onvolledige breuk (wellicht zelfs helemaal geen breuk!) die gedreven werd door de meedogenloze logica van de Koude Oorlog.
Dit artikel volgt het spoor van generaals als Adolf Heusinger, Hans Speidel en Johannes Steinhoff – van hun rol in de Wehrmacht tot hun sleutelposities in de Bundeswehr en de NAVO. Het onderzoekt hoe militaire expertise, politiek pragmatisme en het dringende bondgenootschap tegen de Sovjet-Unie een grondige zuivering in de weg stonden. Het toont hoe de ‘denazificatie’ voor deze functionele elite vaak niet meer betekende dan een strategische amnesie: het verleden werd niet verwerkt, maar tijdelijk opzij geschoven.
De vraag die centraal staat is niet alleen historisch, maar ook moreel van aard: welke prijs was het Westen bereid te betalen om de oorlog tegen de Sovjet-Unie te winnen? En wat zegt deze bewuste keuze voor continuïteit over de geboorte van de Bondsrepubliek Duitsland zelf – een democratie, opgebouwd met de instrumenten en het personeel van een dictatuur?
De officieren: een portret in ambivalentie
Dit zijn Duitse militaire officieren die belangrijke rollen speelden tijdens de Tweede Wereldoorlog en, opvallend genoeg, later in de naoorlogse herbewapening en de integratie van West-Duitsland in de NAVO-structuur. Hier is een overzicht van hun bekendste bijdragen:
Adolf Heusinger (1897-1982)
Tweede Wereldoorlog: Generaal in het OKH (Oberkommando des Heeres). Hij was een belangrijke operatieplanner en hoofd van de operationsafdeling. Hij was aanwezig bij de aanslag van 20 juli 1944 op Hitler en werd daarom verdacht, maar uiteindelijk niet geëxecuteerd.
Naoorlogs: Eerste Inspecteur-generaal van de Bundeswehr (van 1957 tot 1961). Van 1961 tot 1964 was hij voorzitter van de NAVO Militaire Commissie. Hij symboliseert de continuïteit en de nieuwe, democratisch gecontroleerde traditie van de Duitse strijdkrachten.
Hans Speidel (1897-1984)
Tweede Wereldoorlog: Generaalmajoor en stafchef van Heeresgruppe B onder veldmaarschalk Rommel in Frankrijk. Hij was diep betrokken bij het complot van 20 juli 1944 en werd na de aanslag gearresteerd, maar overleefde de oorlog.
Naoorlogs: Belangrijke architect van de nieuwe Bundeswehr. Hij werd de eerste Duitser die een NAVO-commando kreeg als Opperbevelhebber van de NAVO-troepen in Midden-Europa (1957-1963). Zijn benoeming was een sterk signaal van vertrouwen en integratie.

Generaal Hans Speidel in 1957, die de hand schudt met een hooggeplaatste Amerikaanse of Franse NAVO-officier bij zijn inauguratie als commandant van de geallieerde landmacht in Centraal-Europa.
Johannes Steinhoff (1913-1994)
Tweede Wereldoorlog: Gevechtspiloot (Luftwaffe) en een van de meest gedecoreerde vliegers (o.a. Ridderkruis met Eikenloof en Zwaarden). Hij vloog aan het einde van de oorlog op de eerste straaljager, de Me 262.
Naoorlogs: Speelde een centrale rol bij de opbouw van de nieuwe Luftwaffe. Hij werd de tweede Inspecteur-generaal van de Luftwaffe (1966-1970) en later voorzitter van de NAVO Militaire Commissie (1971-1974). Hij stond bekend om zijn moreel leiderschap en kritische reflectie op de oorlog.
Johann Graf von Kielmansegg (1906-2006)
Tweede Wereldoorlog: Stafofficier in pantsertroepen. Hij nam deel aan het Ardennenoffensief.
Naoorlogs: Een van de eerste generaals van de Bundeswehr. Hij volgde Adolf Heusinger op als Opperbevelhebber van de NAVO-troepen in Midden-Europa (1967-1968). Hij wordt gezien als een intellectueel strateeg en een belangrijke denker binnen de Bundeswehr.
Ernst Ferber (1914-1975)
Tweede Wereldoorlog: Diende als stafofficier in diverse eenheden aan het Oostfront en in Italië.
Naoorlogs: Klom op in de Bundeswehr en werd de eerste Duitser die Opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten in Midden-Europa werd (1973-1975), de hoogste militaire positie binnen de NAVO-structuur in dat gebied. Hij overleed tijdens zijn ambtstermijn.
Karl Schnell (1916-2008)
Tweede Wereldoorlog: Diente als artillerieofficier aan het Oostfront.
Naoorlogs: Klom op tot generaal in de Bundeswehr en werd in 1975 Deputy Commander-in-Chief van de NAVO-troepen in Midden-Europa, onder generaal von Senger und Etterlin.
Franz-Joseph Schulze (1918-2009)
Tweede Wereldoorlog: Diende als officier in de pantsertroepen.
Naoorlogs: Eerste Duitser die werd benoemd tot Opperbevelhebber van de NAVO-troepen in Noord-Europa (1978-1980) in Brunssum, Nederland. Later was hij ook Opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten in Midden-Europa (1983-1987).
Ferdinand von Senger und Etterlin (1923-1987)
Tweede Wereldoorlog: Diende als jonge officier in de pantsertroepen.
Naoorlogs: Een van de prominentste NAVO-commandanten uit zijn generatie. Hij was Opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten in Midden-Europa (1979-1983) tijdens een zeer gespannen fase van de Koude Oorlog (o.a. NAVO-dubbelbesluit, Sovjet-inval in Afghanistan).
Het denazificatieproces: theorie vs. praktijk
Het officiële denazificatieproces, opgelegd door de geallieerden (met name de Amerikanen in hun zone), was bedoeld om de Duitse samenleving te zuiveren van nazi-invloed. Het kende grote problemen:
Massaal en bureaucratisch: Het betrof miljoenen vragenlijsten (Fragebogen). Het systeem was overweldigd, traag en vaak willekeurig. Veel “kleine vissen” werden hard aangepakt, terwijl invloedrijke personen soms via connecties een mildere categorie wisten te krijgen.
Vroegtijdig beëindigd: Tegen 1948-1951, met het opkomen van de Koude Oorlog, verloor denazificatie snel prioriteit. De behoefte aan een bondgenoot (West-Duitsland) tegen de Sovjet-Unie woog zwaarder dan de behoefte aan grondige zuivering. De slogan werd vaak: “Lieber den alten Nazi als den jungen Rote” (Liever de oude nazi dan de jonge rode).
“Persilscheine”: Dit waren verklaringen van onschuld, vaak afgegeven door collega’s of zelfs voormalige tegenstanders, die iemands naziverleden witwasten (vernoemd naar het wasmiddel Persil).
Onmisbare expertise: De VS en de NAVO hadden dringend behoefte aan ervaren stafofficieren en strategen met kennis van het Oostfront en moderne oorlogsvoering, vooral na het uitbreken van de Koreaanse Oorlog (1950).
Politiek vertrouwen: Mannen als Heusinger en Speidel hadden een groot voordeel: hun (bewezen of vermeende) betrokkenheid bij het verzet van 20 juli 1944. Dit maakte hen in westerse ogen tot “goede Duitsers” – anti-nazi en betrouwbaar. Hun oorlogsverleden als hoge Wehrmacht-officieren werd hierdoor overschaduwd.
De “Schreiber-These”: Historicus Clemens Vollnhals noemde dit de “zelf-denazificatie door anti-communisme”. Wie zich loyaal toonde aan het nieuwe West-Duitsland en de NAVO, kon zijn verleden relatief snel achter zich laten.
Geen breuk, maar herbouw: De oprichting van de Bundeswehr in 1955 onder bondskanselier Adenauer volgde bewust niet het concept van een “nul-uur”. In plaats van geheel nieuwe militairen op te leiden, werd bewust een beroep gedaan op de ervaring van de “generaal zonder troepen” uit de Wehrmacht. Dit garandeerde snelle operationele slagkracht, maar betekende ook een aanzienlijke personele continuïteit.
Conclusie
De denazificatie van Duitsland, vooral in de functionele elites (rechterlijke macht, ambtenarij, leger), was fragmentarisch en incompleet. Bij de militaire top was er minder sprake van “denazificatie” dan van strategische integratie en hergebruik.
De denazificatie van Duitsland, vooral in de functionele elites (rechterlijke macht, ambtenarij, leger), was fragmentarisch en incompleet. Bij de militaire top was er minder sprake van “denazificatie” dan van strategische integratie en hergebruik.
De carrières van Heusinger, Speidel en de anderen tonen aan dat:
– Pragmatisme (Koude Oorlog-logica) prevaleerde boven morele zuivering.
– Militaire expertise en anti-communisme golden als doorslaggevende “rehabilitatie”.
– De transformatie van deze mannen – voor zover die plaatsvond – zich vooral afspeelde in de context van hun inbedding in de NAVO, een defensief en democratisch gecontroleerd bondgenootschap. Of zij persoonlijk een diepgaande morele reflectie op hun eigen rol in het nazi-tijdperk ondergingen, verschilt per individu en is moeilijk te beoordelen.
Kortom, hun NAVO-carrières zijn geen bewijs dat de denazificatie “geslaagd” was, maar wel dat West-Duitsland en de Westelijke geallieerden ervoor kozen om de militaire structuur snel op te bouwen met de beschikbare, ervaren krachten, waarbij het verleden vaak werd gerelativeerd of genegeerd omwille van de huidige veiligheid.
Wat ‘zegt’ zo’n incompleet proces van denazificatie tegen de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog?
Deze vraag raakt de morele kern van de kwestie. Een incompleet denazificatieproces, en de daaropvolgende snelle rehabilitatie en carrièremogelijkheden voor voormalige nazi-functionarissen, “zegt” verschillende pijnlijke en fundamentele dingen tegen de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog.
“Jullie leed is ondergeschikt aan politiek pragmatisme.”
De boodschap is dat de directe dreiging van de Koude Oorlog en de behoefte aan een functionerende West-Duitse staat zwaarder wogen dan gerechtigheid voor het verleden. De veiligheid van het Westen ging voor de morele afrekening met het nazi-tijdperk. Voor overlevenden van de Holocaust, vervolgde politieke tegenstanders, dwangarbeiders en de bevolking van bezette landen, moet dit hebben gevoeld als een tweede verraad: eerst door de daders, daarna door de geallieerden die hen bevrijdden maar vervolgens de daders opnieuw inschakelden.
“De daders zijn onmisbaar; jullie zijn dat niet.”
Het proces suggereerde dat de expertise, netwerken en organisatorische vaardigheden van de oude elite (rechters, ambtenaren, officieren) waardevoller waren voor de wederopbouw dan het herstel van de slachtoffers. De boodschap was dat Duitsland zijn daders nodig had om te functioneren, terwijl de slachtoffers—vooral die uit Oost-Europa, die nu achter het IJzeren Gordijn vielen—makkelijk konden worden vergeten in het nieuwe geopolitieke spel.
“Het systeem was fout, maar de individuele professional kan ‘onschuldig’ zijn.”
Door de focus te leggen op een paar “rotte appels” (de top van de SS en NSDAP) en de mythe van de “schone Wehrmacht” en de “apolitieke ambtenarij” te cultiveren, werd de medeplichtigheid van een brede laag van de samenleving verzwegen. Voor een overlevende van Auschwitz die in de jaren 50 zijn vroegere kampbewaker tegenkwam als politieagent, of een verzetsstrijder die zijn folteraar zag terugkeren als rechter, was de boodschap duidelijk: structurele medeplichtigheid wordt niet bestraft, maar beloond met continuïteit.
“Gerechtigheid is onderhandelbaar en kan worden uitgewist.”
Het gebrek aan consequenties voor veel daders (of de zeer milde straffen) toonde aan dat gerechtigheid niet absoluut was, maar kon worden ingeruild voor stabiliteit en bondgenootschap. De Persilscheine (witwasverklaringen) symboliseerden dit: een netwerk van onderlinge steun kon de geschiedenis witwassen. Voor slachtoffers betekende dit dat hun ervaringen niet serieus werden genomen en dat de waarheid formeel werd weggeschreven.
“Jullie herinnering is ongemakkelijk en moet wijken voor de nieuwe realiteit.”
In de jaren 50 werd in West-Duitsland vooral gesproken over Duitslands eigen slachtofferschap (bombardementen, verdrijvingen). De slachtoffers van de nazi’s werden vaak gezien als een hindernis voor de nationale wederopstanding en verzoening binnen het Westen. Overlevenden die hun verhaal deden, werden vaak geconfronteerd met ongeloof, desinteresse of de beschuldiging dat ze “oude wonden openhaalden.
“Macht en structuur zijn duurzamer dan morele principes.”
De continuïteit van personeel in sleutelposities toonde aan dat de staat—als apparaat—zich kon voortzetten onder een nieuw politiek label, terwijl veel van dezelfde mensen aan de knoppen draaiden. Voor hen die door dat apparaat waren vermalen, was dit een beangstigende demonstratie van de veerkracht van het systeem en de kwetsbaarheid van morele overwinningen.
Kortom, tegen de slachtoffers “zei” dit proces eigenlijk: “Jullie rechtvaardigheid is uitgesteld—en uiteindelijk afgeschreven—omwille van de realpolitik.” Het is een van de redenen waarom de erfenis van de Tweede Wereldoorlog nog steeds zo zwaar weegt en waarom debatten over schuld, herinnering en gerechtigheid nog steeds gevoerd worden. Het toont de pijnlijke spanning tussen morele zuiverheid en politieke haalbaarheid in de nasleep van een morele catastrofe.





