Stelt u zich een klasse Europese edelen voor in de 17e eeuw. Terwijl de Franse aristocraten zich in strakke, gepoederde pruiken hullen en de keurvorsten van het Heilige Roomse Rijk hun formele hofetiquette volgen, presenteert de Poolse szlachta zich op een manier die hun tijdgenoten verbaast én fascineert. Ze dragen kleurrijke, oosters aandoende gewaden, omgorden zich met kostbaar versierde sabel, en koesteren een trotse, dikke snor – het ultieme symbool van hun mannelijke eer. Ze geloven rotsvast in hun gelijkheid onder elkaar, in een extreem gedecentraliseerde staat, en in hun goddelijke missie als christelijk schild tegen het Oosten.
Maar het meest opmerkelijke is hun overtuiging over hun eigen afkomst. Ze claimen namelijk niet af te stammen van middeleeuwse ridders, maar van de Sarmaten – een oud, nomadisch ruitervolk uit de Iraanse steppen. Dit was geen marginaal historisch idee; het was de hoeksteen van een complete identiteit die politiek, kunst, mode en mentaliteit meer dan twee eeuwen lang domineerde: het Sarmatisme.
Wat was deze bijzondere ideologie precies? Hoe kon een zelfverzonnen mythe uitgroeien tot het fundament van een hele beschaving binnen het Pools-Litouwse Gemenebest? En waarom bepaalt deze culturele erfenis, met al haar glorie en gebreken, tot op de dag van vandaag hoe Polen terugkijkt op zijn gouden eeuw? Dit artikel duikt in de wereld van de Poolse Sarmaten – een wereld van mythe, macht en onvergetelijke stijl.
De geboorte van een legende
Van Iraanse steppe naar Poolse landgoederen
Om het Poolse Sarmatisme te begrijpen, moeten we een onderscheid maken tussen de historische Sarmaten en de mythische Sarmaten die de Poolse adel schiep. Dit hoofdstuk gaat over de intrigerende transformatie van een oud steppevolk tot een stichtingsmythe voor een Europese elite.
De historische Sarmaten: ruiters van de steppe
Lang voor het Sarmatisme bestonden, waren er de echte Sarmaten. Dit was een confederatie van Iraanstalige nomadische volkeren die tussen ongeveer de 5e eeuw v.Chr. en de 4e eeuw n.Chr. de uitgestrekte steppen ten noorden van de Zwarte Zee bewoonden. Ze stonden bij Griekse en Romeinse historici (zoals Herodotus) bekend als geduchte, met pantser bekleede ruiters – de voorlopers van de middeleeuwse ridders. In de eerste eeuwen na Christus drongen sommige Sarmatische stammen door tot in het gebied van het huidige Polen, waar ze vermengden met de lokale bevolking. Archeologische vondsten, zoals typische zwaarden en sieraden, getuigen hiervan.
Voor de middeleeuwse en vroegmoderne Polen waren deze vondsten en klassieke teksten de enige, vaag bekende bronnen. Ze vormden het ruwe materiaal voor iets heel nieuws.
De mythische wedergeboorte in de Renaissance
De echte creatie van de Sarmatische mythe vond plaats in de 16e eeuw, tijdens de Renaissance. Dit was een tijd van intellectuele herbronning, waarin Europese naties op zoek gingen naar een glorierijk, klassiek (dus niet-middeleeuws) verleden. Italië had Rome, Frankrijk claimde Trojaanse afkomst, en de Polen vonden hun antwoord op de steppen.
Humanistische geleerden en historieschrijvers, zoals Maciej van Miechów (Tractatus de duabus Sarmatiis, 1517) en later Jan Długosz, legden een verband tussen deze oude Sarmaten en de Poolse adel. Ze construeerden een aantrekkelijk verhaal: de szlachta waren de directe, onvermengde afstammelingen van deze dappere, vrije krijgers, terwijl de boerenbevolking afstamde van de inheemse Slavische stammen die door de Sarmaten waren onderworpen. Deze theorie voorzag de sociale hiërarchie van een “wetenschappelijke” en historische legitimatie.
Het ideologische motief: waarom deze mythe zo aansloeg
De Sarmatische mythe was geen onschuldige fantasie. Ze diende een aantal cruciale politieke en sociale doelen voor de opkomende szlachta:
- Een eigen, unieke oorsprong: Het stelde Polen buiten de gebruikelijke Europese afstammingslijnen (Romeins, Germaans), wat paste bij het gevoel een unieke, vooruitstrevende staat te zijn.
- Legitimatie van adellijke privileges: Als afstammelingen van veroveraars hadden de edelen van nature het recht om te heersen over het land en zijn inwoners. Het recht op eigendom en macht was hun “geboorterecht”.
- Fundering voor de politieke vrijheid: De Sarmaten waren, in de verbeelding, een volk van gelijke, vrije krijgers. Dit vertaalde zich perfect naar het ideaal van de “Gouden Vrijheid”, waarbij elke edelman gelijk was en zijn stem kon laten gelden in het parlement (Sejm). Hun “Sarmatische” karakter zou hen van nature rebels, onafhankelijk en wars van absolutisme maken.
- Culturele en militaire identiteit: Het schiep een ideaalbeeld van de edelman als Sarmatische krijger: moedig, trouw, gastvrij en toegewijd aan het verdedigen van zijn vaderland (het Antemurale Christianitatis – de voorburcht van het christendom) tegen Turk, Tataar en Moskoviet.
De mythe was dus in alle opzichten functioneel. Ze voorzag een klasse die haar politieke en economische macht consolideerde van een epische achtergrond, een gevoel van lotsbestemming en een rechtvaardiging voor haar bevoorrechte positie in de maatschappij. Hiermee was het fundament gelegd voor de volledige Sarmatische cultuur die in de volgende eeuwen tot bloei zou komen.
De pijlers van de Sarmatische identiteit
Liberum Veto: De prijs van de gouden vrijheid
Het Sarmatisme was meer dan een historische mythe; het was een allesomvattende levenshouding die tot in de kleinste details van het bestaan doordrong. Het Sarmatische ideaal beeld van de Poolse edelman rustte op vier onmiskenbare pijlers: een unieke politieke vrijheid, een herkenbaar uiterlijk, een eigen levensstijl en een specifieke religieuze roeping. Samen vormden ze de basis van wat het betekende om een ‘ware Sarmaat’ te zijn.
Vrijheid
Dit was het politieke hart van het Sarmatisme. De vrijheid van de szlachta werd gezien als een heilig erfgoed, direct afkomstig van hun Sarmatische voorouders. Het omvatte:
Politieke gelijkheid: Elke edelman, of hij nu een magnaat met enorme landerijen was of een arme landadel, was in theorie gelijk in rechten en waardigheid. Dit principe van “szlachcic na zagrodzie równy wojewodzie” (een edelman op zijn hoeve is gelijk aan een provinciegouverneur) was heilig.
Het liberum veto: Het ultieme symbool van deze vrijheid. Elke individuele afgevaardigde in de Sejm (het parlement) kon met zijn “Ik veto” een wet tegenhouden of zelfs de hele zitting beëindigen. Dit werd gezien als een bescherming tegen tirannie, maar werd later een bron van politieke verlamming.
De gekozen monarchie: De koning was niet soeverein; de natie (szlachta) was soeverein. De koning werd gekozen en zijn macht werd strikt beperkt door contracten (pacta conventa) en door het parlement.
Deze vrijheid werd ervaren als iets uniek Pools en Sarmatisch, en elke bedreiging ervan – of die nu uit het buitenland kwam of van een eigen koning – werd fel bestreden.
Het uiterlijk
De Sarmaten onderscheidden zich onmiddellijk door hun uiterlijk, een bewust gecreëerd contrast met de West-Europese mode.
Kleding: De iconische kontusz (een met bont afgezette, open mantel) over de żupan (een lange, vaak kleurrijke onderjas), bijeengehouden door een brede, kostbare zijden gordel (pas kontuszowy). Deze kleding, geïnspireerd op oosterse (Ottomaanse, Perzische) en hussieten-invloeden, werd een nationaal symbool.
Wapens: De karabela, een licht gebogen, rijk gedecoreerde sabel, was meer dan een wapen. Het was een statussymbool en het zichtbare teken van het recht van elke edelman om zijn eer en rechten met geweld te verdedigen.
Haardracht: De gladgeschoren hoofd en de lange, weelderige snor (wąs) waren een must. Het hoofd was kaas in navolging van oosterse tradities en voor praktische redenen onder een helm, terwijl de snor mannelijkheid, kracht en militaire geest uitstraalde.
Levensstijl
Het ideale Sarmatische leven speelde zich af op het landgoed (dwór), ver weg van het verfoeide koninklijke hof.
Gastvrijheid: Legendarische, vaak buitensporige gastvrijheid (gościnność) was een hoofddeugd. Een overvloedige tafel vol eten en drinken was een kwestie van eer.
Conservatisme en wantrouwen: Buitenlandse invloeden, vooral uit het “verzwakte” Westen, werden gewantrouwd. Latijn bleef de taal van de elite. Traditie en het voorouderlijk gebruik (staroświecczyzna) golden als de hoogste wijsheid.
Krijgersethos en vredig leven: Hoewel ze zichzelf als krijgers zagen, leefden veel Sarmatische edellieden in vredestijd een leven gewijd aan landbouw, jacht en uitgebreide discussies over politiek en geschiedenis in hun landhuizen.
Religieuze roeping
De Sarmaat definieerde zich niet alleen tegenover het Westen, maar ook tegenover het Oosten.
Antemurale Christianitatis: Polen zag zichzelf als het “Bolwerk van het Christendom” (Przedmurze Chrześcijaństwa). Dit was een religieuze en militaire identiteit: de Sarmatische edelman was de door God aangestelde verdediger van de Europese christenheid tegen het Ottomaanse Rijk, de Krim-Tataren en het orthodoxe Moskovië.
Katholicisme als identiteitsmerk: Na de Reformatie en de Contrareformatie werd het rooms-katholicisme steeds meer een integraal onderdeel van de Sarmatische identiteit, een teken van loyaliteit aan de staat en een onderscheid met protestantse buurlanden en orthodoxe rivalen. Religieuze tolerantie, ooit een kenmerk van het Gemenebest, nam hierdoor af.
Deze vier pijlers versterkten elkaar. De vrijheid gaf het recht om als een onafhankelijke krijger te leven, hetgeen tot uiting kwam in het uiterlijk. Die levensstijl werd gevoed op het landgoed, en het geheel werd geheiligd door een religieuze missie. Samen creëerden ze een gesloten, zelfgenoegzame wereld die zowel de grootste kracht als de uiteindelijke zwakte van het Pools-Litouwse Gemenebest zou blijken te zijn.
De schaduwzijde
Het keerpunt: van trots naar stagnatie
Dezelfde eigenschappen die het Sarmatisme tot een bindende kracht maakten in de 16e en vroege 17e eeuw, verhardden in de volgende eeuw tot zijn grootste zwakte. Wat ooit een ideologie van trotse onafhankelijkheid en patriottisme was, veranderde in een star, defensief conservatisme dat het Pools-Litouwse Gemenebest steeds verder verlamde en uiteindelijk mede ten onder liet gaan.
In de 18e eeuw was het Sarmatisme in veel opzichten een schim van zichzelf geworden:
De Gouden Vrijheid werd anarchie: Het liberum veto, ooit bedoeld als ultiem wapen tegen tirannie, werd routineus misbruikt door edellieden die omkoopbaar waren of door buitenlandse mogendheden (Rusland, Pruisen, Oostenrijk) werden gemanipuleerd om elke hervorming te blokkeren. De staat werd onbestuurbaar.
Cultureel isolement: Het wantrouwen tegenover buitenlandse invloeden sloeg om in een reactionaire afwijzing van verandering. Terwijl West-Europa door de Verlichting stormde, hield de Sarmatische elite vast aan een achterhaalde levensstijl, vaak ten koste van onderwijs en economische modernisering.
Leeg uiterlijk vertoon: Het prachtige klederdracht en de gastvrijheid ontaardden soms in pure extravagantie en schulden. Het ideaal van de krijger-edelman vervaagde tot een lege pose, terwijl het leger verwaarloosd werd.
Erfenis
De Sarmaat herleeft: Romantiek en nationale identiteit
Het Poolse Sarmatisme was veel meer dan een excentrieke mode of een politieke theorie. Het was een complete beschavingscode die bijna drie eeuwen lang het hart van de Poolse staat vormde. Het schiep een unieke adelsdemocratie die in zijn hoogtijdagen stabiliteit en religieuze tolerantie bracht, maar verviel in een cultuur van anarchie en zelfvernietiging. Het produceerde een onmiskenbare kunstvorm en een levensstijl vol kleur en ceremonie, maar ook een diep isolement en wantrouwen jegens de moderne wereld.
De erfenis van het Sarmatisme is daarom dubbelzinnig en blijvend. Het werd in de 18e eeuw afgeserveerd als de oorzaak van de nationale ondergang, maar in de 19e eeuw, tijdens de periode van de delingen, herontdekten de Polen het op een nieuwe manier. Romantische dichters en opstandelingen zagen in de Sarmaat niet langer de kortzichtige conservatief, maar de onverzoenlijke vrijheidsstrijder, trots en onafhankelijk, geworteld in zijn eigen tradities. Het Sarmatische portret en de kontusz werden symbolen van nationale identiteit en verzet tegen de vreemde overheerser.
Vandaag de dag leeft het Sarmatisme voort in de Poolse collectieve psyche. Het is een bron van trots op een uniek verleden, een waarschuwing voor de gevaren van politieke verlamming, en een onuitputtelijke bron van inspiratie voor literatuur, kunst en historisch debat. Het herinnert ons eraan hoe een samenleving haar eigen identiteit construeert – soms uit de draden van mythe – en hoe die identiteit zowel een wapen als een last kan zijn. “Wat was het Poolse Sarmatisme?” was daarom niet alleen de vraag naar een historisch fenomeen, maar ook een sleutel tot het begrip van de complexe, tragische en buitengewoon veerkrachtige ziel van Polen zelf.





