Zoals mijn vorige artikel over de Poolse gevangenen liet zien, was Auschwitz in 1940 en 1941 vooral een concentratiekamp voor Polen. De beruchte functie van Auschwitz als vernietigingskamp voor Joden begon pas echt in 1942, met de bouw van Birkenau en de installatie van grotere gaskamers.

Overzicht: Joden in Auschwitz

PeriodeGebeurtenisOpmerking
Voorjaar 1940300 Joden uit Oświęcim helpen bij bouwGeen officiële gevangenen, geen nummers
Najaar 1940 – 1941Kleine aantallen Joodse gevangenenVooral Poolse Joden, wel geregistreerd
26 maart 1942Eerste grote Jodentransport999 Slowaakse Joodse vrouwen
Eind april 1942Eerste selecties bij aankomstVrouwen met kinderen direct naar gaskamer
Mei 1942Eerste massale vergassingen van JodenIn Crematorium I, Auschwitz I
Vanaf zomer 1942Transporten uit heel EuropaNederland (juli), België (augustus), etc

Een verwarrend begin: driehonderd Joodse dwangarbeiders

Het antwoord op de vraag “Wanneer kwamen de eerste Joden in Auschwitz?” is verrassend genoeg: vóór de eerste Polen. Maar hun aanwezigheid was van een heel andere orde.

In het voorjaar van 1940, nog voordat het eerste transport met Poolse gevangenen uit Tarnów was vertrokken, was het terrein van het voormalige Poolse legerkamp in Oświęcim al een bedrijvige bouwplaats. De SS had dringend mankracht nodig om het kamp gereed te maken voor de gevangenen die zouden komen. En dus werden ze gedwongen tewerkgesteld: ongeveer driehonderd Joodse mannen uit de nabijgelegen stad Oświęcim en omgeving.

Deze mannen waren geen kampgevangenen in de officiële zin van het woord. Ze kregen geen gestreept uniform, ze werden niet geregistreerd met een nummer, en ze sliepen waarschijnlijk niet binnen de prikkeldraadomheining. Ze waren dwangarbeiders, ‘burgers’ die elke ochtend onder bewaking naar het kamp werden gebracht en ’s avonds weer mochten vertrekken naar hun eigen huizen – voor zover je van ‘mocht’ kon spreken. Ze sjouwden stenen, repareerden gebouwen en legden de eerste fundamenten voor wat het grootste vernietigingskamp van nazi-Duitsland zou worden.

Hun positie was uiterst precair. Ze werkten zij aan zij met de dertig Duitse criminelen die op 20 mei 1940 uit Sachsenhausen waren overgebracht om de eerste kapo’s te worden. Ze zagen met eigen ogen hoe het kamp steeds meer vorm kreeg. Maar ze waren zelf nog geen gevangenen. Ze waren de stille getuigen van het prille begin.

Toen op 14 juni 1940 de eerste 728 Poolse gevangenen arriveerden, veranderde de dynamiek. De Joodse dwangarbeiders waren nog steeds aanwezig, maar hun positie werd steeds hachelijker. Voor de nazi’s waren zij ‘ongewenste elementen’, ook al waren ze tijdelijk nuttig. Wat er precies met deze driehonderd mannen is gebeurd, is grotendeels in de nevelen van de geschiedenis verdwenen. Sommigen werden later alsnog gearresteerd en als gevangenen geregistreerd. Anderen wisten te vluchten of werden vermoord. Weinigen zullen de oorlog hebben overleefd.

Hun verhaal is een voetnoot in de grote geschiedenis van Auschwitz, maar een belangrijke voetnoot. Het laat zien dat Joden al aanwezig waren vóór de systematische deportaties, vóór de gaskamers, en vóór de beruchte selecties op het perron. Ze waren de eerste Joodse handen die het kamp hielpen bouwen dat uiteindelijk hun eigen volk zou verslinden. Een wrang en tragisch begin van een nog tragischer verhaal.

Eerste Joden als geregistreerde gevangenen (najaar 1940 – 1941)

Na de zomer van 1940 begon het kamp langzaam maar zeker voller te raken. De transporten met Poolse gevangenen bleven komen, en onder hen bevonden zich ook steeds vaker Poolse Joden. Zij deelden het lot van hun niet-Joodse landgenoten – maar met een extra dimensie van vernedering en geweld.

Deze eerste Joodse gevangenen kwamen meestal uit dezelfde kringen als de niet-Joodse Polen: ze waren intellectuelen, verzetsstrijders, studenten of gewone burgers die bij een razzia waren opgepakt. Ze werden op dezelfde manier geregistreerd, kregen een gevangenenummer en werden in de administratie opgenomen. Uiterlijk waren ze in het begin nog niet te onderscheiden van de andere gevangenen; de beruchte Jodenster zou pas later worden ingevoerd.

Maar in de praktijk waren Joodse gevangenen wel degelijk vogelvrij. Ze werden vaker en harder geslagen, kregen de zwaarste werkzaamheden toegewezen en konden rekenen op extra willekeur van de SS’ers en kapo’s. Het antisemitisme van de nazi’s was ook binnen de kampmuren voelbaar, en het maakte het verschil tussen overleven en sterven nog kleiner.

In deze periode waren Joodse gevangenen echter nog steeds een minderheid. Auschwitz was in 1940 en het grootste deel van 1941 primair een kamp voor niet-Joodse Polen. De enkele honderden Joodse gevangenen die er waren, gingen op in de massa van tienduizenden anderen. Ze werden niet systematisch geregistreerd als ‘Jood’ in de kampadministratie, althans niet op een manier die vandaag de dag makkelijk te traceren is. Pas later, toen de massadeportaties op gang kwamen, zouden Joden apart worden geregistreerd en gemerkt.

Ondertussen voltrok zich buiten het kamp een sinistere ontwikkeling. In de herfst van 1941, ver van de ogen van de gevangenen, werden in de kelder van Blok 11 de eerste experimenten met Zyklon B uitgevoerd op Russische krijgsgevangenen. De technologie voor massamoord werd getest, klaar voor gebruik. De Joodse gevangenen die er op dat moment waren, konden niet vermoeden wat er op hen afkwam.

De periode van 1940-1941 was voor Joden in Auschwitz een vreemde tussentijd. Ze waren er wel, maar nog niet in de aantallen die we later zouden zien. Ze waren gevangenen, maar nog niet het hoofddoel van het kamp. Dat zou in het voorjaar van 1942 voorgoed veranderen.

Eerste massatransporten met Joden (voorjaar 1942)

De lente van 1942 bracht een fundamentele verandering in de functie van Auschwitz. Wat begonnen was als een concentratiekamp voor Poolse politieke gevangenen, groeide nu uit tot het epicentrum van de Endlösung – de systematische vernietiging van de Europese Joden. De eerste massatransporten markeerden het begin van een nieuwe, nog duisterder fase.

Op 26 maart 1942 arriveerde een transport dat de geschiedenis zou ingaan als het eerste grote Jodentransport naar Auschwitz. Uit Slowakije kwamen 999 Joodse vrouwen en meisjes. Zij waren niet geselecteerd voor de gaskamers – die draaiden op dat moment nog niet op volle toeren – maar werden als dwangarbeiders geregistreerd. Op dezelfde dag arriveerde ook een transport met niet-Joodse vrouwen uit het concentratiekamp Ravensbrück. Samen vormden zij de eersten van wat een onafgebroken stroom zou worden.

Waarom Slowakije? De Slowaakse regering, een marionet van nazi-Duitsland, had zelf het initiatief genomen om haar Joodse burgers te deporteren. Tegen een betaling van 500 Rijksmark per persoon werden de Slowaakse Joden als ‘arbeidskrachten’ aangeboden. Het was een cynische deal, waarbij de Slowaakse staat profiteerde van het verdwijnen van haar Joodse bevolking. De vrouwen die op 26 maart aankwamen, waren jong, tussen de 16 en 22 jaar oud. Ze dachten dat ze tewerkgesteld zouden worden. In werkelijkheid kwamen ze terecht in een wereld van honger, geweld en willekeur.

In de weken en maanden die volgden, nam het tempo toe. In april 1942 arriveerden de eerste transporten met Joden uit Frankrijk. En op eind april 1942 gebeurde er iets nieuws: voor het eerst zaten er in de transporten uit Slowakije ook mensen die niet geschikt waren voor werk. Vrouwen met jonge kinderen, ouderen, zieken. Zij werden bij aankomst geselecteerd – een woord dat hier zijn gruwelijke betekenis kreeg. De SS beoordeelde wie sterk genoeg was om te werken, en wie direct kon worden vermoord. De eersten gingen naar het kamp, de tweeden naar de gaskamers.

De gaskamers waren in deze periode nog niet de immense installaties van Birkenau. In mei 1942 werd Crematorium I in Auschwitz I omgebouwd tot gaskamer. Hier vonden de eerste systematische vergassingen van Joden plaats. Naar schatting zijn hier ongeveer 10.000 mensen, voornamelijk Joden, vermoord. Het was een gruwelijke repetitie voor wat later op industriële schaal zou gebeuren in Birkenau.

Vanaf de zomer van 1942 kwam de moordmachine pas echt op gang. Op 15 juli 1942 arriveerde het eerste transport uit Nederland, met 1132 Joden uit Westerbork. Op 4 augustus 1942 gevolgd door het eerste transport uit België, met 999 Joden uit Mechelen. En uit Kroatië, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Griekenland, Italië – uit alle hoeken van bezet Europa stroomden de treinen naar Auschwitz.

Wat in het voorjaar van 1942 begon met 999 Slowaakse vrouwen, zou uitgroeien tot de grootste moordoperatie uit de geschiedenis. Van de naar schatting 1,1 miljoen mensen die in Auschwitz omkwamen, was ongeveer 90 procent Joods. De meeste van hen arriveerden na maart 1942, werden bij aankomst geselecteerd en vonden de dood in de gaskamers van Birkenau.

De eerste Joden in Auschwitz – de dwangarbeiders van 1940, de geregistreerde gevangenen van 1940-1941, en de massatransporten van 1942 – samen vertellen zij het verhaal van een kamp dat zich in twee jaar tijd ontwikkelde van een regionale gevangenis voor Polen tot het epicentrum van de Holocaust.

De rode draad

Dit artikel begon met een vraag: wanneer kwamen de eerste Joden in Auschwitz? Het antwoord voert ons langs drie momenten: 728 Poolse mannen en de driehonderd dwangarbeiders in 1940, de eerste geregistreerde Joodse gevangenen in 1940-1941, en de massatransporten vanaf maart 1942. Maar wie deze twee artikelen samen leest, ziet een groter geheel. Auschwitz was in zijn eerste jaren vooral een Pools kamp. De eerste gezichten die achter het prikkeldraad verdwenen, waren die van Poolse studenten, leraren en priesters. De Joden kwamen later – eerst als individu, toen als stroom, uiteindelijk als vloedgolf.

Het begin blijft echter Pools.
En dat begin mogen we nooit vergeten.
Het begon met 728 Poolse mannen uit Tarnów.