In de 18e eeuw was de Republiek der Beide Naties (Polen-Litouwen) nog altijd een van de grootste staten van Europa, maar het was een reus op lemen voeten. Terwijl zijn buren – Rusland, Pruisen en Oostenrijk – hun macht centraliseerden onder sterke, absolutistische vorsten, raakte Polen verstrikt in een uniek politiek systeem dat niet tot daadkracht, maar tot verlamming leidde. Het was geen gebrek aan moed of verlichte ideeën dat het land fataal zou worden; het was een zelfopgelegde anarchie, gegarandeerd door de grondwet. Dit artikel duikt in de interne rottigheid die Polen rijp maakte voor de slachtbank. Hoe kon een machtig koninkrijk zo verzwakken dat zijn soevereiniteit op de onderhandelingstafel van zijn vijanden belandde? Het antwoord ligt in het Liberum Veto, de gecorrumpeerde politieke cultuur, en de diepe sociale tegenstellingen die het land van binnenuit uitholden. De delingen waren een tragedie van buitenlandse agressie, maar ze begonnen met een Poolse tragedie van bestuurlijk falen.

De Gouden Vrijheid: een ideaal dat tot anarchie leidde

In het hart van het Pools-Litouwse Gemenebest lag een uniek politiek ideaal: de “Aurea Libertas” ofwel de Gouden Vrijheid. Dit stelsel van privileges en rechten was uniek in het vroegmoderne Europa, dat werd gedomineerd door absolutistische vorsten. Het had tot doel een tirannie voor altijd onmogelijk te maken, maar legde uiteindelijk de kiem voor politieke verlamming.

De kern van dit systeem was de bijzondere positie van de “szlachta”, de brede Poolse adel, die tussen de 6% en 8% van de bevolking uitmaakte. In tegenstelling tot andere landen stond deze groep gelijk in rechten – de armste, ongeschoolde landadel was in principe juridisch gelijk aan een magnaat met tienduizenden horigen. Deze adel was de drager van de soevereiniteit en zag zichzelf als het “politieke lichaam” van de staat. Hun rechten waren onaantastbaar en omvatten onder meer vrijheid van belasting, vrijheid van gevangenschap zonder proces, en het recht op verzet tegen de koning.

De koning was niet erfelijk, maar verkozen door de adel. Bij zijn aantreden moest hij een “pacta conventa” ondertekenen, een contract dat zijn macht ernstig beperkte. De uitvoerende macht was daardoor extreem zwak. Belangrijke beslissingen over oorlog, belastingen en wetten konden alleen worden genomen door de Sejm, het parlement.

Het Liberum Veto: het instrument van de verlamming

Het hoogtepunt – en de achilleshiel – van de Gouden Vrijheid was het Liberum Veto. Dit was een beginsel in de Sejm dat stelde dat alle wetgeving unaniem moest worden aangenomen, gebaseerd op het idee van de absolute gelijkheid van alle edelen. Het gevolg was vernietigend: één enkele afgevaardigde kon door de woorden “Nie pozwalam!” (“Ik sta het niet toe”) niet alleen een specifiek wetsvoorstel tegenhouden, maar de volledige zitting van de Sejm beëindigen en álle wetten die tijdens die sessie waren aangenomen ongedaan maken.

Oorsprong en misbruik
Het veto ontstond uit een nobel streven naar consensus, maar veranderde in de praktijk al snel in een instrument voor sabotage. Vanaf het eerste bekende gebruik in 1652 escaleerde de situatie. Tegen het einde van de 17e eeuw was het schering en inslag dat de Sejm voortijdig en zonder resultaat werd ontbonden. In 1688 werd een Sejm zelfs ontbonden voordat hij officieel kon beginnen.

Dit systeem maakte het land onbestuurbaar. Tussen 1573 en 1763 werden ongeveer 150 Sejms gehouden, waarvan 53 (ruim een derde) volledig mislukten en geen wetgeving opleverden, grotendeels door het Liberum Veto. Tijdens de 30-jarige regering van koning Augustus III (1734-1763) wist slechts één Sejm wetgeving aan te nemen. De staat functioneerde niet meer, een toestand die bekend kwam te staan als de “Poolse anarchie.

De rol van buitenlandse machten
De kwetsbaarheid was niet onopgemerkt gebleven bij de buurlanden Rusland, Pruisen en Oostenrijk. Zij zagen het Liberum Veto als een perfect middel om de Gemenebest te verzwakken. Door afgevaardigden in de Sejm om te kopen om hun veto uit te spreken, konden ze elke hervorming die de Poolse staat had kunnen versterken (zoals legerhervormingen of belastingherziening) systematisch blokkeren. Zo werd de interne politieke vrijheid van Polen-Litouwen haar eigen doodsvonnis, een dekmantel voor buitenlandse inmenging die het land rijp maakte voor de slachtbank.

Sociale en economische gevolgen: de ondermijning van de staat

De politieke verlamming van het Pools-Litouwse Gemenebest was geen op zichzelf staand fenomeen. Het Liberum Veto en de chronische bestuurschaos hadden een verwoestende uitwerking op de samenleving en economie. De “Poolse anarchie” schiep een vicieuze cirkel: politieke instabiliteit verzwakte de economische basis, wat op zijn beurt de sociale spanningen verergerde en het land nog kwetsbaarder maakte voor zowel interne opstand als externe agressie.

De economische stagnatie en agrarische dwang

De economie van het Gemenebest was in de 17e en 18e eeuw nog grotendeels feodaal en agrarisch, gedreven door de export van graan via de haven van Gdańsk. Het politieke systeem blokkeerde elke modernisering.

Verlamde belastinghervorming: Elke poging tot een eerlijk en efficiënt belastingstelsel, dat ook de machtige magnaten zou moeten raken, werd steevast geblokkeerd door het Liberum Veto. De staatskas was daardoor chronisch leeg. Dit leidde tot twee catastrofes: er was geen geld voor een sterk staand leger, en de weinige belastingen die werden geïnd kwamen onevenredig hard aan bij de kleinere adel en steden, wat groei tegenwerkte.

Versterking van de “Folwark”-economie: Om hun inkomen veilig te stellen in een instabiele staat, grepen de grootgrondbezitters (magnaten) terug op een onderdrukkend systeem: de “folwark”. Dit waren grote landbouwbedrijven waar horige boeren gedwongen werden tot herendiensten, vaak meer dan vijf dagen per week. Om de winstgevende graanexport op peil te houden, werden de horigen steeds verder uitgebuit, hun rechten uitgehold en hun mobiliteit vrijwel onmogelijk gemaakt. De economie bleef zo vastzitten in een primitief, op dwangarbeid gebaseerd model, terwijl West-Europa industrialiseerde.

Verval van de steden: De politieke macht lag exclusief bij de adel. De steden en de burgerij hadden geen zeggenschap in de Sejm. Het ontbreken van centrale bescherming en investeringen, gecombineerd met de privileges van de adel (die bijvoorbeeld belastingvrij was), leidde tot het economische en demografische verval van steden. Handel en ambacht kwijnden weg.

Van binnenuit verzwakt, van buitenaf opgeslokt

Het interne verhaal van Polen-Litouwen is er een van tragische zelfondermijning. Het Liberum Veto – ontworpen om tirannie te voorkomen – veranderde in een instrument van politieke verlamming. Decennialange bestuurlijke anarchie, een lege staatskas, en diepe sociale verdeeldheid maakten het Pools-Litouwse Gemenebest tot een staat die niet meer kon functioneren, laat staan verdedigen.

Maar interne zwakte alleen verklaart niet waarom een groot koninkrijk van de kaart verdween. Deze zwakte schiep een machtsvacuüm, en in de geopolitiek van de 18e eeuw worden vacuüms altijd opgevuld. Het verlamde Polen werd een onweerstaanbare prooi voor zijn ambitieuze, absolutistische buren: het tsaristische Rusland, het expansionistische Pruisen en het Habsburgse Oostenrijk.

De centrale vraag van het tweede artikel wordt niet: hoe Polen verzwakte, maar waarom zijn buren juist nu besloten toe te slaan. Wat waren hun concrete doelstellingen? Hoe wisten ze hun onderlinge rivaliteit tijdelijk opzij te zetten voor een gecoördineerde opdeling? En welke rol speelde de Poolse “hervormingspoging” van 1791, die bedoeld was om het land te redden, maar uiteindelijk de directe aanleiding vormde voor de laatste delingen?

Het antwoord ligt in de koude geopolitieke berekening van de monarchieën in Berlijn, Sint-Petersburg en Wenen. Zij zagen niet een natie om te respecteren, maar een gebied om te beheersen, een buffer om te neutraliseren en grondstoffen om te claimen. De delingen waren geen spontane daad van agressie, maar het logische eindresultaat van een lang proces waarin de interne crisis van Polen botste met de expansiedrift van zijn buren.