Het tweede deel van deze serie maakte duidelijk dat de Delingen van Polen werden aangedreven door de koude, geopolitieke ambities van Rusland, Pruisen en Oostenrijk. Het was een verhaal van territoriale expansie en het voorkomen van een grotere oorlog door samenwerking in roof.
Maar deze analyse verklaart niet de intensiteit en het morele fanatisme achter de laatste twee delingen, in 1793 en 1795. Waarom escaleerde een berekende geopolitieke operatie tot een totale, meedogenloze liquidatie van een soevereine staat? Waarom was de vernietiging van Polen niet voldoende; waarom moest ook zijn politieke experiment met wortel en tak worden uitgeroeid?
Het antwoord ligt in het schrikbeeld dat het verzwakte Polen plotseling werd voor zijn absolutistische buren: niet langer een passief slachtoffer, maar een gevaarlijk, levend idee. Toen de Poolse Sejm op 3 mei 1791 de eerste moderne geschreven grondwet van Europa en de tweede ter wereld aannam, overschreed Polen een ideologische grens. Het wierp het anarchistische systeem van het Liberum Veto af en koos voor een erfelijke constitutionele monarchie, geïnspireerd door de Verlichtingsidealen van Montesquieu en de opwindende, angstaanjagende voorbeelden van de Amerikaanse en – vooral – de Franse Revolutie.
Voor de tronende vorsten in Sint-Petersburg, Berlijn en Wenen was dit geen politieke hervorming meer; het was een existentiële bedreiging. Het toonde aan dat hun vazalstaat kon veranderen in een levensvatbare, moderne natie, wat een kettingreactie van verlangen onder hun eigen onderdanen zou kunnen ontketenen. De delingen werden zo niet alleen gedreven door hebzucht, maar ook door een ideologische kruistocht tegen het revolutionaire virus. Dit artikel onderzoekt hoe deze botsing tussen de oude orde en de nieuwe ideeën, en de diepe maatschappelijke tegenstellingen binnen Polen zelf, fungeerden als de katalysator die de ondergang van de staat bespoedigde en ‘rechtvaardigde’.
De Grondwet van 3 Mei 1791 was de vonk
Deze grondwet was een radicale breuk met het verleden en een daad van politiek genie in een hopeloze situatie. Ze schafte het Liberum Veto en de anarchistische koningsverkiezingen af, en verving deze door een erfelijke constitutionele monarchie met een grotere uitvoerende macht voor de koning. Ze erkende de burgerrechten van de stedelingen en verklaarde dat de staat de boeren onder zijn bescherming nam – een eerste, symbolische stap om de sociale kloof te dichten. Het was een poging om van Polen een moderne, soevereine en efficiënte staat te maken, gemodelleerd naar de principes van Montesquieu’s scheiding der machten. Voor haar voorstanders was het de laatste reddingsboei; voor haar tegenstanders binnen en buiten Polen was het een gevaarlijke revolutie.
De angst van de buren
Voor de absolutistische hoven was deze grondwet geen interne Poolse aangelegenheid, maar een declaratie van ideologische oorlog.
Rusland: Tsaarina Catharina de Grote noemde de grondwet de “doodsteek voor het monarchale principe”. Haar eigen gezag berustte op absolutisme en zij was de voornaamste garand van de oude, verlamde Poolse orde. Een sterk, constitutioneel Polen zou een onafhankelijke bondgenoot van haar vijanden (zoals het Ottomaanse Rijk of Frankrijk) kunnen worden en een aantrekkelijk voorbeeld voor haar eigen onderdanen.
Pruisen: Hoewel koning Frederik Willem II eerst aarzelde, zag hij al snel in dat een stabiel Polen zijn eigen territoriale ambities (met name de volledige controle over West-Pruisen en Danzig) voor altijd zou blokkeren. De grondwet dreigde het machtsvacuüm op te vullen dat Pruisen wilde uitbuiten.
Oostenrijk: Keizer Leopold II was persoonlijk verlicht, maar zijn rijk was een kwetsbare lappendeken van volkeren. Het succes van een constitutioneel experiment aan zijn grenzen was een gevaarlijk precedent dat nationalistische aspiraties onder zijn eigen onderdanen kon aanwakkeren.
De reactie was dan ook niet diplomatiek, maar militair. In 1792 vielen Russische troepen, gesteund door een handjevol Pruisische eenheden, Polen binnen onder het voorwendsel de “ware Poolse vrijheid” (het Liberum Veto) te herstellen. Dit was geen gewone invasie meer; het was een contra-revolutionaire interventie om het Verlichtingsdenken met geweld terug te draaien.
De Confederatie van Targowica
Het meest vernietigende bewijs dat de ideologische breuk ook de Poolse maatschappij zelf verscheurde, was het optreden van de Confederatie van Targowica in 1792. Deze groep reactionaire magnaten en edelen, geleid door Stanisław Szczęsny Potocki en Ksawery Branicki, zag in de Grondwet van 3 Mei niet de redding van het vaderland, maar een bedreiging van hun eeuwenoude voorrechten. Het concept van een sterk centraal gezag en verminderde adellijke macht was voor hen een groter gevaar dan buitenlandse overheersing.
In een daad van diep historisch verraad, riepen zij de hulp in van Tsaarina Catharina de Grote van Rusland om hun “vrijheden” (lees: het Liberum Veto en hun anarchistische privilege) te herstellen. Zij vormden een formele confederatie in het stadje Targowica en legitimeerden daarmee de Russische invasie van 1792 als een “interne Poolse aangelegenheid”. Dit gaf de Russische agressie een schijn van wettigheid en verdeelde de Poolse verdediging. De tragiek was compleet: een deel van de Poolse elite koos ervoor het land op te offeren aan haar eigen egoïsme, en verspeelde daarmee de laatste kans op soeverein voortbestaan. Hun actie toont aan hoe de diepe maatschappelijke tegenstellingen – de kloof tussen hervormingsgezinde patriotten en behoudende magnaten – Polen niet alleen verzwakten, maar actief hielpen vernietigen.
Van hervorming naar liquidatie
De Grondwet van 3 Mei 1791 en de reactie daarop vormen het sleutelmoment dat de Delingen transformeerde van een langzaam geopolitiek proces in een snelle en totale liquidatie. De Grondwet was de katalysator omdat ze de bestaande machtscalculaties ideologiseerde. Polen was niet langer een passief object, maar een actieve verspreider van gevaarlijke ideeën. De contra-revolutionaire angst van de buurlanden gaf hun agressie een nieuwe, fanatieke urgentie. Het werd een preventieve oorlog tegen een politiek virus. Het binnenlandse verraad van de Confederatie van Targowica maakte de ondergang onafwendbaar. Het demonstreerde dat een aanzienlijk deel van de Poolse heersende klasse haar eigen klassenbelang stelde boven het nationale voortbestaan, en dat de sociale eenheid om te overleven ontbrak.
Samen zorgden deze factoren ervoor dat de Tweede Deling (1793) geen herhaling was van de eerste, maar een bestraffende maatregel tegen het constitutionele experiment. De Derde Deling (1795), volgend op de heroïsche maar kansloze Opstand van Kościuszko, was het logische eindpunt: de definitieve uitwissing van een staat die niet alleen zwak was, maar – in de ogen van zijn buren en een deel van zijn eigen elite – gevaarlijk en ketters was geworden.
Het ideologische conflict was dus de versneller die de geopolitieke motor op topsnelheid deed draaien. Zonder deze katalysator had Polen misschien nog langer als een vazalstaat kunnen voortbestaan. Maar door te proberen zichzelf te vernieuwen, ondertekende het zijn eigen doodvonnis in de ogen van een oude wereld die weigerde te veranderen.
Deze fatale paradox – dat een poging tot redding de vernietiging bespoedigde – vormt de tragische kern van de Delingen. Het toont aan dat het conflict niet alleen ging om land en macht, maar om de ziel van Europa zelf. Het is dit ideologische slagveld dat we in het volgende artikel zullen betreden.





