In het hart van de 17e eeuw brandde in Europa een koortsachtig verlangen: het verre, mythische Cathay – China – in kaart te brengen, niet alleen op perkament, maar ook in de geest van het Westen. Het was een race tegen de tijd en tegen onwetendheid, gevoed door rapporten van een handvol jezuïeten die als eerste Europeanen het keizerlijke hof in Peking bereikten. Onder hen was een gedreven Poolse geleerde, Michael Boym, die jarenlang door China trok, zijn flora tekende, zijn taal leerde en, het meest kostbaar, zijn uitgestrekte rijken in gedetailleerde kaarten vastlegde. Zijn levenswerk was bedoeld om Europa te verlichten.
Maar toen Boym in 1659 uitgeput en vergeten stierf aan de grens van China, begon zijn erfenis een eigen, duistere reis. Zijn kostbare koffers vol manuscripten en kaarten vonden hun weg naar de drukkerijen en studeerkamers van Europa, waar een nieuwe generatie jezuïeten en cartografen gretig toegreep. Onder hen blonk een Vlaamse ster aan het firmament uit: Ferdinand Verbiest, de briljante wiskundige en vertrouweling van de Chinese keizer. Het was vooral zijn naam die later prijkte op enkele van de invloedrijkste kaarten van China, terwijl de naam van Boym in de schaduwen verdween.
Hoe kon het levenswerk van de pionier zo volledig worden geabsorbeerd door de nalatenschap van zijn opvolger? Dit is het verhaal van de gestolen kaarten van Cathay – een verhaal van wetenschappelijke passie, van internationale netwerken binnen de jezuïetenorde, en van een subtiele, maar ingrijpende vorm van kennisroof die de geschiedenis van onze beeldvorming over China voor altijd heeft gevormd.
De pionier – Michael Boym (1612-1659)
Als we het verhaal van de “gestolen kaarten” willen begrijpen, moeten we eerst de man leren kennen wiens levenswerk centraal staat. Michael Boym was niet zomaar een missionaris; hij was een van de meest originele en veelzijdige geesten die de jezuïetenmissie naar China ooit heeft voortgebracht. Zijn nalatenschap is er een van brute intellectuele nieuwsgierigheid, persoonlijke moed, en een tragisch lot.
Een Poolse wetenschapper in het zwarte gewaad
Geboren in Lviv (toe in het Pools-Litouwse Gemenebest) in een vooraanstaande familie, was Boym een briljante geleerde in de dop. Hij trad in bij de jezuïeten, waar zijn talent voor wiskunde, natuurwetenschappen en talen werd opgemerkt. Zijn roeping voerde hem niet naar de klassieke academische centra van Europa, maar naar de uiterste rand van de bekende wereld: in 1643 arriveerde hij in Macau, de Portugese poort naar China. Terwijl veel van zijn collega’s zich concentreerden op theologische debatten aan het keizerlijke hof, sloeg Boym een andere weg in. Hij werd een veldonderzoeker in de breedste zin van het woord.
De “Atlas van China” en de “Flora Sinensis”: Een encyclopedisch project
Boym was ervan overtuigd dat om China echt te begrijpen – en om het christelijk geloof doeltreffend te presenteren – men eerst zijn natuur, zijn grenzen en zijn geneeskunst moest doorgronden. Met een ongeëvenaarde intensiteit begon hij aan een encyclopedisch project:
Cartografie: Gedurende jaren reisde hij, verzamelde hij regionale kaarten en informatie van Chinese geleerden en functionarissen, en componeerde hij een serie gedetailleerde kaarten. Deze zouden later bekend worden als zijn “Atlas van China”. Het waren geen ruwe schetsen, maar zorgvuldig getekende documenten die geografische kennis combineerden met etnografische en historische aantekeningen.
Natuurgeschiedenis: Zijn meest tastbare publicatie tijdens zijn leven was de “Flora Sinensis” (1656), het eerste werk dat Chinese planten (en enkele dieren) systematisch aan een Europees publiek presenteerde. Het was een prachtig geïllustreerd boek dat zowel exotische vruchten als farmacologisch belangrijke planten beschreef. Boym benadrukte het praktische nut, zoals de behandeling van dysenterie met de radix ipecacuanhae (een plant uit de Nieuwe Wereld, wat zijn mondiale blik toont).
Geneeskunde & Cultuur: Hij bestudeerde en vertaalde Chinese medische teksten, schreef over de pulsdiagnostiek, en documenteerde gebruiken en talen. Zijn werk was een holistische etnografie, lang voordat dat begrip bestond
De missie die zijn ondergang werd
In 1650 kreeg Boyms leven een dramatische wending. Hij werd belast met een geheime en delicate diplomatieke missie: hij moest naar Rome reizen als gezant van de laatste prinsen van de Ming-dynastie, die in Zuid-China nog tegen de nieuwe Mantsjoe (Qing) heersers vochten. De prinsen, waaronder de keizerin-weduwe Helena, waren bekeerd tot het christendom en smeekten om pauselijke steun. Boyms jarenlange reis terug naar Europa, vol ontberingen en politieke intriges, was een fiasco. De paus aarzelde, de jezuïetenorde zelf was verdeeld over de steun aan een verloren zaak, en de Portugezen wilden hun handelsrelaties met de nieuwe Qing-heersers niet riskeren.
De eenzame dood en de reizende koffers
Terug naar China met een magere pauselijke brief in plaats van een leger, bereikte Boym in 1659 de grens tussen Vietnam en Guangxi. Uitgeput, ziek en diep ontgoocheld stierf hij daar, alleen en ver van huis. Maar zijn fysieke lichaam was niet het enige dat een reis moest ondernemen. Zijn koffers vol manuscripten, tekeningen en kaarten – het ruwe materiaal van zijn levenswerk – waren al onderweg. Ze werden door tussenpersonen meegenomen naar de jezuïetenkringen in Rome, Lissabon en Antwerpen. Deze kostbare lading arriveerde in een Europa dat hongerde naar betrouwbare informatie over China, maar zonder hun maker, hun uitlegger, hun pleitbezorger.
Boym stierf niet alleen als een mislukte diplomaat, maar ook als een miskend wetenschapper. Zijn gezag over zijn materiaal stierf met hem. Hij was niet langer aanwezig om zijn ontdekkingen toe te lichten, zijn auteursrecht op te eisen of zijn werk te publiceren. Hij liet een schat achter, perfect verpakt voor hen die hem konden vinden en gebruiken. Zijn erfenis was voltooid, maar weerloos.
Het netwerk – de jezuïetenrepubliek der letteren
Om te begrijpen hoe Boyms kaarten konden “verdwalen” en in andere handen terechtkomen, moeten we de wereld betreden waarin zij circuleerden: de zogenaamde jezuïetenrepubliek der letteren. Dit was geen fysieke plaats, maar een transcontinentaal, intellectueel ecosysteem, gebouwd op briefwisseling, gedeelde idealen en een complex web van afhankelijkheden. Binnen dit systeem werden ideeën én manuscripten een soort gemeenschappelijk kapitaal – met alle gevolgen van dien.
Een gedeelde schatkist voor de grotere glorie van God
Het ultieme doel van de jezuïetenorde was de verbreiding van het rooms-katholieke geloof. Kennis – of het nu ging om astronomie om het keizerlijk hof te imponeren, of om cartografie om de missieroutes te begrijpen – was een cruciaal wapen in dit spirituele offensief. Manuscripten werden daarom niet beschouwd als privébezit van een individu, maar als bouwstenen voor een collectief project. Ze reisden langs de missieposten, van Macau naar Goa, naar Lissabon, Rome en Antwerpen, om gedeeld, gekopieerd, vertaald en gecompileerd te worden. Het auteursideaal was niet de romantische, eenzame genie, maar de toegewijde bijdrager aan de kennis van de Orde.
De reis van Boyms koffers: van persoonlijk archief naar open bron
Toen Boyms nalatenschap Europa bereikte, belandde deze niet op een publieke veiling of in een privé-collectie. Zij kwam terecht in het hart van dit netwerk: in de bibliotheken van jezuïetencolleges, zoals het Collegio Romano in Rome of misschien het college in Antwerpen. Hier werden de documenten gezien als een nieuwe, rijke aanwinst voor de “schatkist”. Voor de bewaarders, vaak geleerden zoals Athanasius Kircher in Rome, was Boym slechts één van vele overleden missionarissen wier aantekeningen nuttig konden zijn. Het materiaal werd gedepersonaliseerd. De urgentie en persoonlijke visie van Boym vervaagden; wat overbleef waren anonieme data, kaarten en beschrijvingen, klaar voor hergebruik.
Wanneer is het delen diefstal?
In de 17e-eeuwse geleerdenwereld was het samenstellen van kennis uit diverse bronnen (compilatie) een geaccepteerde en gerespecteerde praktijk. Volledige bronvermelding zoals wij die nu kennen, bestond niet. Eer werd vaak indirect gegeven, met vage zinnen als “volgens de waarnemingen van onze paters in de Oost”. Binnen de jezuïetenorde was deze dynamiek nog sterker. De individuele “auteur” was ondergeschikt aan de autoriteit en het prestige van de Orde als geheel. Wanneer een geleerde jezuïet in Europa, zoals Kircher of later Verbiest, materiaal van een collega gebruikte, kon dit worden gezien als een efficiënte inzet van middelen voor het hogere doel. Het was geen diefstal uit winstbejag, maar een toe-eigening uit opportunisme en ambitie, gelegitimeerd door de collectieve geest.
Machtscentra en periferie
Het netwerk was niet egalitair. Er bestonden duidelijke centra van macht en publicatie: Rome (het intellectuele en spirituele centrum), Antwerpen (een knooppunt van drukkers en uitgevers, verbonden met het beroemde Plantijnse huis), en Lissabon (de poort naar Azië). Boym daarentegen kwam uit de periferie: het Pools-Litouwse Gemenebest, een minder invloedrijke provincie binnen de jezuïetenorde. Hij had geen sterke beschermheer in Rome en stierf ver van de Europese salons waar reputaties werden gemaakt. Zijn werk was dus bijzonder kwetsbaar. Het was waardevolle ruwe data, maar zonder de politieke of persoonlijke bescherming die nodig was om zijn naam eraan te verbinden wanneer het werd omgezet in glanzende, gepubliceerde atlassen.
De jezuïetenrepubliek der letteren was dus zowel de redding als de ondergang van Boyms werk. Het zorgde ervoor dat zijn kennis bewaard bleef en verspreid werd – precies wat hij wilde. Maar het systeem, gedreven door collectivisme, hiërarchie en publicatiedrang, effende ook de weg voor de onteigening van zijn auteurschap. Boyms kaarten waren niet meer “van Boym”; ze waren geworden van “de missie”. En in dit grijze gebied, tussen delen en toe-eigenen, konden figuren met een scherper gevoel voor public relations en betere toegang tot drukkers, de vruchten plukken. De volgende stap was onvermijdelijk: de transformatie van Boyms ruwe atlas in het gepolijste, beroemde werk van anderen.
De overname – Martini, Kircher en Verbiest
De weg van Michael Boyms manuscripten naar de Europese boekdrukkunst werd geplaveid door drie collega’s. Geen van hen was een gewone dief, maar elk belichaamde hij een andere, kenmerkende methode om andermans kennis om te vormen tot eigen roem: de snelle toe-eigening van Martini, de verterende encyclopedisme van Kircher, en de uiteindelijke, volledige overname door Verbiest.
Martino Martini: De eerste en snelste
De Italiaanse jezuïet Martino Martini arriveerde in 1655, nog tijdens Boyms leven, in Europa met een eigen manuscript: zijn beroemde Novus Atlas Sinensis. Gepubliceerd in 1655 door Blaeu in Amsterdam, werd dit direct het standaardwerk voor de Europese geografie van China. Martini verbleef in Rome op hetzelfde moment dat Boyms eerste materiaal daar aankwam. Historici, zoals de Poolse Boym-specialist Edward Kajdański, hebben overtuigend aangetoond dat Martini’s kaarten cruciale details en fouten delen met de manuscriptkaarten van Boym – details die niet in eerdere bronnen voorkwamen. Martini vermeldde Boym echter nergens. Hij presenteerde het werk als het zijne, mogelijk omdat zijn manuscript al vergevorderd was en hij Boyms materiaal gebruikte voor laatste correcties en aanvullingen. Het was een klassieke geval van opportunistische incorporatie: het werk van een afwezige collega als extra bron gebruiken, zonder credits, om de eigen autoriteit en volledigheid te vergroten.
Athanasius Kircher: De grote compilator
In de bibliotheek van het Collegio Romano in Rome zat Athanasius Kircher, een universeel genie met een grenzeloze honger naar materiaal voor zijn encyclopedische werken. Zijn China Illustrata (1667) moest het definitieve overzicht van de jezuïetenmissie worden. Kircher, die zelf nooit in China was geweest, was volledig afhankelijk van de verslagen van anderen. Hij kreeg toegang tot Boyms manuscripten en illustraties, waaronder waarschijnlijk tekeningen voor de Flora Sinensis en aantekeningen over Chinese karakters en religie. In de China Illustrata zijn deze elementen terug te vinden, opgenomen in Kirchers eigen fantastische theorieën. Kirchers methode was totaliserende toe-eigening: alle kennis werd opgenomen in zijn eigen, omvangrijke systeem, waarbij bronnen vaak werden vermeld, maar verdwenen in de overweldigende persoonlijkheid van de auteur. Boym werd één naam onder velen, zijn specifieke bijdrage opgelost in Kirchers “totaalkunstwerk”.
Ferdinand Verbiest: De bekroning van een systeem
De meest directe en vergaande overname vond echter plaats via de Vlaamse jezuïet Ferdinand Verbiest. Verbiest arriveerde pas in 1659, het jaar van Boyms dood, in China. Hij zou uitgroeien tot een wetenschappelijke ster aan het hof van de Kangxi-keizer. Rond 1668 werkte Verbiest in Macau aan een nieuwe set kaarten van China. Uit onderzoek blijkt dat deze kaarten, die later door Joan Blaeu werden gepubliceerd, rechtstreeks en bijna letterlijk zijn gebaseerd op Boyms atlas. De overeenkomsten zijn zo groot – van de geografische contour tot de plaatsing van steden en de precieze fouten (zoals de vorm van de Hainan-eiland) – dat er geen ruimte is voor toeval. Verbiest voegde wel eigen astronomische coördinaten toe, maar de cartografische kern was van Boym.
Het cruciale verschil is dit: toen Joan Blaeu in 1668 Verbiest om nieuwe kaarten van China vroeg voor zijn Atlas Maior, stuurde Verbiest deze kaarten op – onder zijn eigen naam. Hij presenteerde zichzelf als de bron van de cartografie, niet als de bewerker van het werk van een voorganger. Dit was geen snelle aanvulling of encyclopedische opname, maar een volledige overschrijving van het auteurschap. Verbiests grote prestige, zijn connecties met de keizer en met Europese uitgevers zorgden ervoor dat zijn kaarten decennialang het gezicht van China in Europa bepaalden, terwijl Boyms naam in de vergetelheid raakte.
Een 21e-eeuwse blik – diefstal, toe-eigening of iets anders?
Als we vanuit ons hedendaagse perspectief terugkijken op het lot van Boyms werk, roept het een ongemakkelijke vraag op: wat gebeurde hier eigenlijk? Was het plagiaat, een schending van intellectueel eigendom? Was het legitieme kennisverspreiding binnen een collectief? Of schuilt de waarheid in een grijzer, historisch specifieker begrip?
Het verhaal van Boyms kaarten is dus meer dan een curiosum. Het is een case study in de politiek van kennis: wie mag spreken, wie krijgt erkenning, en hoe worden de regels van het delen bepaald door hen die in het centrum van de macht staan? Boym leverde de stenen, maar anderen bouwden er hun monument mee – en lieten zijn naam van de fundering weg.
Het duurde eeuwen, maar dankzij het speurwerk van moderne historici wordt zijn naam nu, alsnog, in de fundamenten gebeiteld.





